6.
Dient God, den Heer, en vreest syn majesteit,
Maar past nochtans hem liefde toe te draagen,
Verheugt uw geest om syne goedigheit,
En beeft van vrees dat gy hem mogt mishaagen.
Komt, kust den soon, erkent hem voor uw heere,
Op dat hy niet, indien hy blyft versmaadt,
In toornigheit, syn vriendlik aanschyn keere,
En gy alsdan, met uwen weg, vergaat.