86.
Myn lippen staan steeds tot uw lof gekeert,
Ik stort dien uit, gelyk een bron syn beeken,
Dewyl gy uw insettingen my leert.
Myn tong blyft luid van uwe reeden spreeken,
Want alles wat uw streng gebod begeert,
Is billik recht, tot myding van gebreeken.