14.
Dat heemel, aard, en zee nu meer voortaan,
Met alles wat daar in sich roert, hem prysen,
Want Godes heil zal Zion op doen rysen,
En ieder stad van Juda bouwen gaan.
Daar zullen sy, en syner knechten saad,
Tot hun besit, een vaste wooning erven,
En wie syn naam, uit liefde, nooit verlaat,
Zal eeuwig lang een woonplaats daar verwerven.