15.
Dies zal ik, Heer, u, die syn koonings leeven,
Door zoo veel heils, heel grootliks maakt verheeven,
Die David syn gesalfden, en syn saad
Goeddaadig zyt, en eeuwig niet verlaat,
By 't heidensch volk, belyden gaan, en prysen,
En uwen naam, met psalmsang, eer bewysen.