4.
Hun ooge gaat als uit het lid,
En puilt van 't vet waar in sy sit.
D'inbeelding mag hun veel belooven,
Noch gaanse 's harten wensch te booven,
Sy margelen de lieden uit,
En spreeken van een boos besluit.
Tot last, en druk der kindren Gods,
Elk spreekt, als van om hoog, heel trots,