2.
Sy hebben 't bloed van uwe gunstgenooten,
Als waater, om Jerusalem, vergooten,
Daar is tot noch ook niemand niet verscheenen,
Die hun gebeent een grafstee dorst verleenen.
Wy, in zo slechten staat,
Zyn nu, helaas, een smaad
Der buuren, die ons hoonen,
Dit weederwaardig lot
Stelt ons ten schimp, en spot
Van die rondom ons woonen.