2.
Want booven al uw naam, en eer,
Vergrootge seer
Uw woord, door werken.
Gy hoorde, riep ik, myne klagt,
En deed uw kracht
Myn ziel versterken.
De kooningen belyden u,
Op aarden nu,
Aan aller oorden,
Om datse 't seggen van uw mond
Oprecht, en rond
Geboodschapt, hoorden.