14.
Gy, voor alle tyd, en stonden,
Laagt voorheen des weerelds gronden,
Ook is al het heemelsch perk
Uwer handen eigen werk.
Doch die werken zyn vergaande,
Maar, o Heere, gy blyft staande,
Al dat werk schynt stand te houden,
Maar 't zal, als een kleed, verouden.