8.
Dan zullen sy, met smarte, weeten,
Dat God, in Jakobs huis geseeten,
Ook tot aan 's aardryks uiterst end,
Als heerscher, alles toomt, en ment.
Laat dan, tot blyschap van de vroomen,
Hen, op den aavond, weederkoomen,
Rondom de stad gaan, door den nacht,
En tieren, als een hond, ter jagt.