8.
Wel, Heer, verschaf myn lippen slechs weer stof,
En oopen die, sy staan te lang gebonden,
Zo zal myn mond uw deugd alom verkonden,
Zo dank ik u met welverdienden lof.
Want uwe lust strekt tot geen offerhand,
Ik had die gift u anders opgedraagen,
Geen offer kan, al schoon men 't gansch verbrandt,
Ook, in sich self, uw strenge wil behaagen.