4.
's Heeren stem, zo vol getiers,
Slaat, en houwt met vlammen viers,
't Woeste beeft van 's Heeren stem,
't Woeste Kades beeft van hem.
's Heeren stem doet zoo vervaaren,
Dat de hinden jongen baaren,
En ontbloot den grond der wonden,
Dat hy niet een boom mag houden.