3.
Ik riep benaauwt, en aangestreeden,
Den Heer, om troost, en bystand, aan,
De Heer gaf antwoord, naa myn reeden,
En deeme vry in ruimte gaan.
Ik zal voor niemand immer vreesen,
Om dat de Heere met my is,
Wat kan een mensch, van sterflik weesen,
Dan doen, tot myn bederffenis?