6.
Dat al 't geschrei van die in banden kermen,
Eens voor u koom, en u sich doe ontfermen.
Ontboei, en hou elk kind des doods in 't leeven,
Uw grooten erm maak dat sy ooverbleeven.
Geef onse buuren, Heer,
Ook seevenvoudigh weer,
Hun trotsen smaad te draagen,
Waar mee dat godloos saad,
Zo bits, u heeft gesmaadt,
Vervul hun schoot met plaagen.