6.
Syn treflikst deel, hoe fier de jeugd mag schynen,
Is vol verdriets, heeft moeiten in, en pynen,
Ook stort het snel, wy vliegen, afgesneeden,
Als bloemen, weg. Wie kent, na eisch van reeden,
Uw toorens kracht, en al uw gramschaps gloed,
Met zulk een vrees, als elk u vreesen moet?