51.
Nooit mogt myn voet het quaade pad bestaan,
Ik weerde hem van alle kromme streeken,
Om, metter daad, uw woorden gaa te slaan,
Nooit ben ik van uw rechten afgeweeken,
Om datge my geleert hebt recht te gaan,
Met oordeel wat ik swygen zal, of spreeken.