5.
Want God zal elk, die quaaddoet, uit doen roeijen.
Maar wie het heil des Heeren stil verwacht,
Erft 's aardryks grond, en zal daar lang op groeijen.
Een weinig noch, en 't goddeloos geslacht
Is nergens meer, merk waar het pleeg te bloeijen,
De plaats is leeg, het is te niet gebragt.