Een ander.
Stemme: Doen Phoebus vertoogh.
DEn Bruydegom wacht, Hy komt in de nacht Geboren in Bethlehem. Niet meer en verbeyt,
Ulampe bereyt, O ziele gaet soecken hem. Sijn liefde neemt waer, Sijn Sterre gaet naer, En soeckt hem, die u bemindt. Gaet soecken soecken soecken 't kindt Dat ghy in de kribbe vindt. En soeckt hier geen pracht, Die wort hier veracht. Voor sijn palleys Godt den Soen, Die Heer is van al, Verkiest eenen stal; Een kribbe voor zijnen throon. Sijn bedd' is het stroo, Den Koninck alsoo Verwerpt u hoveerdigheyt. Het kindt het kindt u beter leyt: Verkiest sijn ootmoedigheyt. De werelt meer houdt Van silver, en goudt, Van tijtels, en hoogen staet. Den stal is hier bloot, Het kindt is in noot, De schatten, en eer versmaet. Het eeuwigh oock kiest, Dat ghy niet verliest, O mensche met uwen Heer. O werelt werelt werpt om veer Voor hem uwen Mammon neer. Alleen u verheught Met vluchtige vreught De werelt vol ydelheydt. Dewijle ghy singht, En dertel opspringht Het kindt om u sonden schreyt, Het schreyt om u kouw.
Beweeght tot berouw. En klopt op u quaet gemoet O ziel' ô ziel' hem open doet, Die opent u 't eeuwigh goet.
Oock Weest ootmoedigh. En sachtmoedigh.
Cookies on Poetry Cove