Skip to content
1723

Jonas de boetgezant

Joan Haes

[Poëtische uitbreiding]

Terwyl d'onnoozelheit, is zy in onvermogen, U niet vermurwen kan tot eenigh mededogen, En gy het oor stopt voor d'erbarmelyke klaght Van die rampzaligen, daer 't hun ontbreekt aen maght, Om door hun wederwraek aen u zich te verhalen En u de straffen van uw strengheit te betalen. Gy dient u van 't gezagh, dat gy bezit, alleen Ten dollen wraeklust van uw losse zinlykheên. Want strekt uw rechtbank hun, die u door maght versagen, Of die gy zyt geneigt uit enkle gunst te dragen, Een zekre vryburg in het nypen van den noodt; Zy strekt een voorbode aen uw' vyant van de doot. Gy dient u van het zwaert des Rechts, gelyk tirannen, Die alle schaemte en eer uit hun gemoet verbannen. Gy hebt Rechtvaerdigheit den blintdoek, die in 't recht Hare oogen sluit, ontrukt, en op uw oog gelegt; Om uw gezicht aldus den toegang te beletten Van 't licht der goddelyke en menschelyke wetten. Gy voert aldus verblindt, als gy de vierschaer spant, Een valsche weegschael in de godelooze hant, Die in den evenaer noit billyk wordt gehangen, Maer altyt overslaet en helt naer uw belangen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Jonas de boetgezant · Joan Haes · Poetry Cove