[Histori]
wat is uw werk? en van waer koomt gy? en van welk volk zyt gy?
9. En hy zeide tot hun:
ik ben een Hebreer:
en ik vreeze den Heer, den Godt des hemels,
die de zee en het drooge gemaekt heeft.
10. Toen vreesden die mannen met groote vreeze,
en zeiden tot hem:
Wat hebt gy dit gedaen? want de mannen wisten, dat hy van des Heeren aengezicht vloodt, want hy hadt het hun te kennen gegeven.
11. Voorts zeiden zy tot hem: Wat zullen wy doen, op dat de zee stil worde tegen ons:
Want de zee werdt hoe langer hoe onstuimiger.
12. En hy zeide tot hun: Neemt my op, en werpt my in de zee; zoo zal de zee stil worden tegens u:
want ik wete, dat deze groote storm u om mynent wille overkoomt.