[Poëtische uitbreiding]
Ter neder bonzen met een' doodelyken val,
Waer van de volgende een met schrik gewagen zal.
De gansche weerelt is niet maghtig dit te keeren,
Noch dien gedreigden slagh van uwen hals te weren.
Belyd uw zonden dan, belyd uw gruweldaên,
Nogh veertigh dagen, dan zal Ninive vergaen.
Gy, priesters, tot den dienst der afgoôn uitgekoren,
Neigt naer myn reden ook aendachtigh beide uwe ooren,
Gy maekt een quaet gebruik van 's volks eenvoudigheit,
Terwyl ge uw tempels tot een koopbeurs houdt bereidt,
Als of het gout vermoght de zonden af te wasschen.
Gy strekt het volk een strik, die toelegt op verrasschen,
Een steen des aenstoots, die het waggelend gemeen
Doet struikelen ten val in 't spoor van uwe schreên:
Een dwaellicht, een kompas, om die verblinde volken
Te leiden in de gracht en 's afgronts diepste kolken.
Ook kreunt ge u niet, of gy hen in 't bederf verleidt.
Ziet gy 'er voordeel by, dan worden zy gevleit;
Dan smeedt gy hun ten dienst een' reex van logenschakelen
En vent uw droomen uit voor godtgewyde orakelen,
Terwyl gy rechts en slinx dus niet dan rykdom zoekt,
Hoe gy de troni trekt, en 't gelt in schyn vervloekt.