[Poëtische uitbreiding]
Schoon ik hier levendigh in d'ongestuime golven
Door uw verbolgenheit bedekt ben en bedolven:
Ik vlei my echter, dat de bede, die ik stort
In deze elende, niet van u verstooten wordt.
Van hier kan ook 't gebet ten hoogen hemel draven.
Van hier uit dezen visch, waer in ik leg begraven,
Als in een grafspelonk, kan echter het geluit
Van myne kranke stem, door wint noch stroom gestuit,
Zelfs boven zon en maen en alle wolken stygen,
Om by uw Majesteit alleen gehoor te krygen.
Gy hebt my, groote Godt, tot een verdiende straf
Van myn weêrspannigheit gedompelt in dit graf;
Een levend graf, dat my geen' ademtoght laet halen,
En geen verquikking gunt van licht noch zonnestralen,
Dat my vast slingert op en neêr in 't woeste zout
En ieder oogenblik de doot voor oogen houdt.
'k Beken, ik heb die straf verdient met recht en reden,
Die zoo verwaten uw bevel heb overtreden.
'k Beken, ik heb verdient, dat my noch zon, noch licht
Beschyne, en minder nogh, de glans van uw gezicht.
En echter geeft my uw genade dit betrouwen,
Dat ik Jerusalem nogh weder zal beschouwen,