De geboorte van Jezus. Een lied van Luther.
De starren blonken in den nacht; De herders hielden trouw de wacht; Daar straalde op eens Gods Hemelhof Den glans van maan en sterren dof.
Daar klonk, gelijk een jubellied, De stem des Engels: ‘Siddert niet! Ik melde u groote zaligheid, Voor u en al het volk bereid.
Hij kwam, uw Redder uit den nood, Geboren uit der Jonkvrouw schoot! Hij kwam, die al uw heil bevat, De Christus Gods, in Davids stad!
En dit zal u het teeken zijn: In doeken ligt het kindekijn; Een schaamle krib, een arme stal, Omringt den Koning van 't Heelal!’
O vreugdemaar! Gods eigen Zoon Verliet voor mij Zijn glorietroon! Op, op, mijn ziel! naar Bethleëm! Dáár vind ik, dáár aanbid ik Hem!
Gegroet, doorluchte Vreemdeling, Wien de aarde tot heur gast ontfing! Gij, Eeuwig Woord! wordt Mensch genoemd: Wat mensch, die U naar waarde roemt?
O Zoon van God, der Englen Heer! Hoe ligt ge daar zoo machtloos neêr? Gods Erfgenaam, behelpt ge u zoo, Gepeluwd op een handvol stroo?
Maar, schoon hij goud en paerlen droeg, Wat wiege was er schoon genoeg? Heel de Aard, met al heur heerlijkheên, Was nog te schamel, nog te kleen!
Toch hebt Gij alle koningspracht En purper en fluweel veracht: Gij vindt een armen stal gereed, Een houten sponde, een linnen kleedt.
Dat hebt Ge, o Heer! voor ons gedaan: Zoo toont Gij reeds als kind ons aan, Dat al des waerelds glans en goud Geen hart voldoet, geen ziel behoudt.
O liefste Jezus! Gij zijt mijn: Laat mij voor eeuwig de Uwe zijn! Gij, die geen kribbe u hebt geschaamd, Of Ge in mijn harte wonen kwaamt!
Och, klonk der Englen zalig choor In lief en leed mijn harte door! Och, wierp tot in mijn donker graf Gods heerlijkheid heur schijnsel af!
Och, was het sterfbed dat mij wacht, Gelijk die kribbe rein en zacht! O Heiland! schenk mij die genâ: Gij kunt en wilt! - Hallelujah!
Cookies on Poetry Cove