III.
Wat dan, o Jakob! gebukt onder 't lot?
Wat dan, o Isrêl! verzonken in zorgen?
Zucht niet: ‘Mijn weg is den Heere verborgen!’
Klaagt niet: ‘Mijn recht gaat voorbij van mijn God!’
Weet gij het niet, hebt gij 't nimmer vernomen?
Zijne is de hand, die de heemlen omvat;
Hij schiep deze aard en hare uiterste zoomen,
Hij, de Onuitputbre, wordt moede noch mat.
Niemand doorgrondt het verstand des Almachten,
D' Eeuwge, die krachten
Den biddende geeft;
Sterkte vermeêrt die geen krachten meer heeft!
Jeugdigen kunnen verdorren en smachten,
Jonglingen struiklen en sneven;
Maar die den Heere, hun Heiland, verwachten,
Groeien en bloeien en leven,
Opwaarts geheven
Op adelaarsschachten!
Want die hen draagt, is de Algoede:
Hij bakent met stralen hun pad -
Zij loopen, en worden niet moede;
Zij wandlen, en worden niet mat!