V. Loflied.
Wijze: Psalm 118.
O Heer! wien ooit Uw goedheên treffen,
Ons past het danklied bovenal.
Leer ons een herderstrouw beseffen,
Die niemand ooit doorgronden zal!
Daar duizenden wanhopig dwalen,
Riept Ge óns van d' open afgrond weêr!
Wij zullen 't eeuwig U herhalen:
Oneindig is Uw liefde, o Heer!
Ons geeft ge, in schaduw van Uw wieken,
Een schuilplaats tegen Zonde en Hel:
Daar zegt, bij 't Hemelsch morgenkrieken,
Ons hart den nacht des doods vaarwel.
Ook ónze heildorst wilt Gij lesschen,
Ook óns verlost Gij door Uw kruis;
En van verloren zondaressen
Maakt Gij ons dochters in Gods Huis!
Hoe zullen we U naar waarde danken?
Verlosser, neen! wij kunnen 't niet.
Wat tranen en gebroken klanken
Is alles wat ons overschiet.
Ach, in ons-zelve stof en assche,
Is dit ons daaglijksch smeekgebed:
Dat ons Uw Geest volkomen wassche
Van d' allerlaatsten zielesmet!
Voltooi ons in Uw werk, o Heere!
Bekwaam ons tot den goeden strijd
Opdat wij leven U ter eere,
Die 't Leven onzer zielen zijt!
Opdat we in U den Vader loven,
Den Vader van barmhartigheid,
Bij wien Ge, in 't Hoog Vertrek daar Boven,
Uw Magdalenaas plaats bereidt!