II.
Weet gij 't dan niet, wat God-zelf openbaarde?
Klinkt het niet luide, op profetischen toon?
Gaaft gij geen acht op de gronding der aarde?
Boven haar schijf zit de Heer op zijn troon;
Nietig als sprinkhanen zijn Hem de volken;
Als een gordijn spant Hij 't blaauw firmament,
Hem zijn de wolken
Ter luchtige tent.
Hij vat al 't stof dezer aard op zijn drieling;
Licht en bezieling
Gaan uit van zijn blik;
Sterken en grooten,
Verpletterd van schrik,
Vorsten der aard worden nedergestoten,
Worden tot niet,
Waar Zijn machtwoord gebiedt!
Naauwlijks geplant, naauw gezaaid in de voren,
Naauwlijks geworteld in 't waereldsche slijk,
Als zich de donder des Heeren doet hooren,
Gaan zij verloren,
Dwarlen zij henen, aan stoppels gelijk!
‘Wáár,’ spreekt de Heilge, de Heer aller heeren,
‘Waar is dat beeld,
Daar maar een zweem van mijn wezen in speelt,
Dat mij zou eeren?’ -
Blikt naar de sfeeren!
Zegt, wie de starren, die duizenden, schiep!
Wie ze vergaârde
En in slagorde schaarde,
Wie er bij name hen riep,
Alzoo geducht van vermogen,
Dat er niet één werd gemist voor zijne oogen!