III.
Lof zij den heer.
Lof zij den Heer, den almachtigen Koning der eere!
Dat aarde en hemel den lof Zijner glorie vermeêre!
Meng in 't geklank,
Ziele! uw aanbiddenden dank!
Zinge al wat ademt den Heere!
Lof zij den Heer, die de waerelden dacht, en zij waren!
Die al de dropplen geteld heeft der golvende jaren,
Die met Zijn staf
Heerscht van uw wieg tot uw graf:
Psalmzinge uw hart uit de snaren!
Lof zij den Heer, die u bootste uit vergankelijke aarde,
Maar heel Zijn volheid uw eeuwigen geest openbaarde!
Hij had u lief,
Die tot Zijn kind u verhief,
Hooger dan de englen in waarde!
Lof zij den Heer, van Wiens leiding de starren gewagen;
Die ook uw leven op adelaarswiek heeft gedragen!
Breed en geducht
Was Zijn aanbidlijke vlucht,
Ruischend met machtige slagen!
Lof zij den Heer, die uw bevende vrees zal beschamen!
Noemt Hem uw Vader: de kroon van Zijn heerlijke namen!
Dwars door den dood
Neemt Hij u op in Zijn schoot.
Loof Hem in eeuwigheid, Amen!