II.
‘Vrede op aarde!’
Wij duchtten 't heilig strafgericht, Wij durfden naar Gods aangezicht Het angstig oog niet wenden: Wij brachten bloedige offers aan, Maar bleven toch van verre staan, Bij altijd nieuwe ellende. Vrede! Vrede!
Welk een mare Voor die schare Van vermoeiden, Die met tranen 't stof besproeiden!
O gij, die daar nog eenzaam dwaalt, Heft de oogen op! Nu rijst, nu straalt De heerlijkheid des Heeren! De Hemel daalt bij Bethlehem; Der Englen lied, des Vaders stem Vermaant u weêr te keeren... Vrede! Vrede! Laat u leiden Naar de weiden Des Algoeden: Jezus zal uw zielen hoeden!
't Zij vrede nu in 't Kinderhart, Na lange schuld, in bange smart Vervreemd van God en 't Leven! Hij komt, die d' afstand wijken doet, En 't ons bezegelt met Zijn bloed: ‘De zonden zijn vergeven!’ Vrede! Vrede! 's Vaders zegen Stroomt u tegen - Zelfs in 't lijden Kiemt een nooit gekend verblijden!
't Zij vrede nu in 't Huisgezin, Waar Ouderliefde en Kindermin
De zielen samenstrenglen, Waar 's Heeren wenk het water wijn, 't Gebed het Brood der ziel doet zijn. De dorpelwachters, Englen! Vrede! Vrede! Trouwe leden, Saam' gestreden! Saam' genoten! 't Leed zal slinken, 't Lief vergrooten.
't Zij Vrede nu, heel de Aarde in 't rond! Komt, sluit alom den broederbond! Vernagelt uw kanonnen! Dat al uw strijd een wedstrijd zij Van Deugd en Liefde en Medelij', Steeds biddend weêr begonnen! Vrede! Vrede! Alle veeten Zijn vergeten; Liefdebanden Strenglen om de verste stranden!
Gegroet, gegroet, o Vredevorst! Die willig onzen jammer torscht, En sterft aan onze wonden! Die d' eeuwenouden strijd beslecht, En aan uw kruis het handschrift hecht Van al des waerelds zonden! Vrede! Vrede!
Palmen groenen; Millioenen Jubelchooren Doen het eeuwig danklied hooren!
Cookies on Poetry Cove