Het Stabat Mater.
Met de tranen in hare oogen, Stond de Moeder neêrgebogen, Bij het kruis daar Jezus hing, Waar de schrik haar voer door 't harte, Waar het felle zwaard der smarte Midden door haar ziele ging.
Wat al droefheid, wat al rouwe, Prangde die verkoren vrouwe, Wie Gods Eenge moeder heet! Ach, hoe kreet zij! Ach, hoe leed zij! Met wat naamloze angsten streed zij, Ziende wat die Reine leed!
O, wien zou geen traan ontvloeien, Waar de moedertranen gloeien Op die uitgebleekte koon? Wie voelt niet Zijn hart verscheuren, Die dat moederhart ziet treuren, Lijdende in haar lieven Zoon?
Voor de zonden van de Zijnen Ziet zij daar heur kind verkwijnen, Wreed gegeesseld en bespot! Ziet zij Hem die doornen dragen, Stervende aan het hout geslagen, En verlaten van Zijn God!
Moeder! mocht me uw liefde treffen! Mocht ik al uw pijn beseffen, Mocht ik treuren aan uw zij'! Mocht mijn hart voor Jezus blaken, Al des waerelds goed verzaken Voor een Heiland zooals Hij!
Gij, mijn Jezus! hoor mij klagen! Laat mij meê Uw striemen dragen, Laat mij deelen in Uw pijn! Laat mij bloeden aan Uw wonden! Laat mijn zorgen en mijn zonden Aan Uw kruis gekruisigd zijn!
Wil mij bij die smart bewaren! Laat mij in Uwe oogen staren Met onafgewenden blik! Laat mij, van Uw liefde dronken, Aan Uw voeten neêrgezonken Tot mijn allerjongsten snik!
Zij me Uw kruis ten staf gegeven! Zij Uw dood mijn eeuwig leven, Uw genâ mijn hoogste prijs! En moet eens mijn lichaam sterven, Doe mij dan de glorie erven Van Uw Hemelsch Paradijs!
Cookies on Poetry Cove