II.
De moeielijke trooster.
(Job IV, V.)
Ik vrees, dat gij mijn woord verachten En u te meer verheffen zult;
Maar wie kan luistren naar uw klachten En tintelt niet van ongeduld? -
Gedenk de dagen van Voordezen! Gij waart zoovelen tot een licht, Gij hebt den dwalende onderwezen, Gij hebt den struiklende opgericht: Nu treft u 't onheil, en - gij zwicht? 't Zijn wanhoopstranen wat we aanschouwen; Gij zit in zak en assche neêr: Is dan uw godsvrucht uw vertrouwen, Is dan uw deugd uw hoop niet meer? Bedenk toch, wanneer zijn de vromen Nog ooit onschuldig omgekomen? Neen, driemaal heilig is de Heer! Die ondeugd ploegen, kwelling zaaien, Doet Hij aan déze zij' van 't graf Reeds de oogst van zijn vergelding maaien: Hij snijdt hen zelf als halmen af! Hij blaast hen weg als stuivend kaf! Laat vrij den leeuw de manen schudden, God breekt de tanden uit zijn muil, En doet den schrik der lammrenkudde Van honger sterven in zijn kuil! Eens is er, in mijn stille droomen, Toen alles nederlag en sliep, Een Godspraak tot mijn oor gekomen, Die fluisterend mij wakker riep. Angst en ontzetting deden me ijzen En rilden mij door merg en been; Ik voelde 't hair te berge rijzen: Een Geest ging voor mijn aanschijn heen!
Daar stond hij, vormloos, onbewogen; Als door een nevel zag ik hem; Een schaduwbeeld was voor mijne oogen; 't Was doodstil en ik hoorde een stem: ‘Wat stervling durft zich heilig noemen, Zich reiner dan zijn Maker roemen? Zelfs in den blinkende' Englenrei Weet Hij gebreken aan te toonen: Hoe dan in zwakke menschenzonen, Die huizen in een hut van klei? Zij worden als het haft vertreden, Dat slechts één zomermorgen leeft: Zij gaan, met hun voortreflijkheden, Terwijl er niemand acht op geeft, En zonder dat hun blinde Reden De wijsheid ooit gevonden heeft!’
Zoek liever hulp in uwe ellenden, O gij, die moedloos murmureert! Tot wien der Heilgen wilt Ge u wenden? Wel dwaas is wien 't verdriet verteert! Wel onverstandig, die zijn dagen Verspilt in ongeduldig klagen! Ik zelf, ik heb een dwaas gekend, Die vaste wortlen had geschoten: Maar 'k zag zijn woning omgestoten, Gelijk een broze herderstent! Ik zag zijn kindren hulploos dolen, Verworpen in de poorte staan: Geen voorspraak trok zich hunner aan, Hunne oogst werd vratig weggestolen,
De weezen moesten beedlen gaan! Neen, de ondeugd moog met bloesems pralen, Geen vruchten rijpen uit haar zaad. Verhardt de zondaar zich in 't kwaad, Straks dreigen hem de bliksemstralen! Val dan bij tijds uw God te voet! Laat Hij u troosten, Hij u raden, Die ondoorgrondelijke daden, Onnoemelijke wondren doet! Die regen geeft na felle droogte, En water als de bloemhof treurt; Verschopten opheft in de hoogte, Verdrukten aan Zijn zijde beurt, En al de ontwerpen kan beschamen, Die de ongerechtigen beramen! Al zijn hun listen fijn bedacht; God zal ze in eigen net benaauwen; Dan zien ze op eens een tastbren nacht Op helderlichten middag graauwen: Zoo redt Hij de armen uit hun klaauwen, De zwakken uit hunne overmacht! Zoo gaat Hij 't onrecht wrekend tegen, Zoo voert Hij, na een korten strijd, De godsvrucht op gebaande wegen! Welzalig, wien de Heer kastijdt! Zijn tuchtiging is enkel zegen. Hij slaat wel, maar ook balsemt Hij; Hij wondt, maar kan genezing schenken; In zes benaauwdheên staat Hij bij, In zeven zal u 't kwaad niet krenken. Gij wordt in d' oorlog tegen 't zwaard, In honger voor gebrek bewaard.
Gij zijt Hem de appel Zijner oogen: De laster, die zijn zwadder schiet, De pest, verwoestend aangevlogen, De grijnzende armoê, treft u niet! Gij lacht, als gij den woudleeuw ziet, Gebreideld door Gods alvermogen. Gij werpt uw zaaisel in den grond, En 't veldgedierte spaart uw koren: Uw halmen schieten uit de voren, Zelfs met de steenen in verbond. De vrede zweeft uw tenten rond, Niets in uw woning gaat verloren. Uw stamboom breidt zijn loten uit, Zoo talrijk als het heidekruid. Eerst in uw grijze winterdagen, Wordt ge in de groeve neêrgevlijd, Gelijk eerst ter bekwamer tijd De rijke schoof wordt thuis gedragen!...
Onthoud het, en laat af van klagen, Als gij voor God onschuldig zijt!
Cookies on Poetry Cove