Opstanding.
Als ge een dierbaar pand moet missen,
En uw hart in stilte schreit,
Neem dan al uw droefenissen
Met u mede in de eenzaamheid!
Dáár is 't, of een hemelbode
Balsem druppelt in uw smart,
Of op eens de lieve doode
Levende opstaat in uw hart.
Onder 't lommerloof der linden,
In den klaren zonneschijn,
In de fluisterstem der winden,
Schijnt hij u nabij te zijn.
Somtijds blikt gij rond u henen,
Of hij daar niet naast u staat,
Hij, wiens hand u onder 't weenen
Zachtkens over de oogen gaat.
O, veel schooner dan vóórdezen
Zweeft hij voor uw aangezicht: -
Want zijn doodswond is genezen,
En hij straalt van hemelsch licht.
O, veel trouwer dan te voren
Is hij voortaan u gewijd: -
Nooit is hij voor u verloren,
Want gij hebt hem nu altijd!
Ook de donkre ziel der droeven
Heeft heur Pascha, heerlijk schoon:
Hoeveel doôn we in 't hart begroeven,
Dáár herrijzen alle doôn!
Is de Liefde niet het Leven,
't Leven dat den dood verwint?
Eeuwig blijven ze u gegeven,
Die gij eeuwig, eeuwig mint!
(Naar aanleiding van een Sonnet van em. geibel.)