III. Aan Jezus' voet.
Wijze: Psalm 42.
Heer en Heiland! aan Uw voeten
Buig ik mij aanbiddend neêr,
Om te bidden en te boeten,
Om te juichen tot Uw eer.
Ach, waar elders zou ik gaan?
Dreigend blikt de waereld m' aan,
En ik voel nog al de wonden
Van haar zorgen, van haar zonden.
Maar gij zaagt mij in de verte,
Dwalend schaap, die U niet zocht!
Diep bewogen met mijn smerte,
Riept Gij, of ik volgen mocht.
Trouwe Herder! met Uw bloed
Hebt Gij al mijn schuld geboet,
Want Gij droegt me in stervende armen
Naar den schoot van Gods erbarmen.
Tot de waereld wederkeeren?
Neen, dát niet in eeuwigheid!
Sterk mij, goede Geest des Heeren,
Die mij hiertoe hebt geleid!
Voed in mij een droefenis,
Die aan God gevallig is,
Die mij straks een vreugd zal geven,
Boven alle vreugd verheven!
Heer! Uw arme Magdalene
Vindt in U haar hoogste Goed.
Niets begeert zij dan dit ééne:
Laat mij blijven aan Uw voet!
Troost, vernieuw en heilig mij,
Tot ik gants gelouterd zij,
Tot ik, juichend voor Uw troone,
Eeuwig boven bij U wone!