II.
Hoe snelt des menschen tijd voorbij.
Hoe snelt des menschen tijd voorbij!
Hoe ijlen wij, hoe vliegen wij,
Op vleugelen der oogenblikken!
Tot - plotsling, meest onvoorbereid,
De klepelgalm ons op doet schrikken,
Die voorslag speelt der Eeuwigheid!
Hoe menig leven is een waan,
Vol schijngestalten die vergaan,
Een droom, een schaduwbeeld van leven,
Dat werklijkheid en waarheid mist:
Een glinstrend spinrag, vastgeweven
Van 't wiegjen aan de zwarte kist!
Van alles waar men ooit op bouw',
Is eindlijk God-alleen getrouw,
De Gever, meer dan al Zijn gaven,
Die alle dooden overleeft,
Vreugd, eer, lust, kracht, in 't hart begraven,
- Naakt kerkhof, dat geen opschrift heeft!
O Gij, die alle banden slaakt,
Die dorre beenderen levend maakt,
Gestorven vreugden doet verrijzen,
Maar beter, reiner dan weleer -
O, laat niet eenzaam mij vergrijzen,
Beziel, vervul mijn hart, o Heer!
Geen ledig, uitgestorven huis,
Geen doodenakker zonder kruis, -
Een tempel moog' mijn ziele wezen,
Waar Hoop en Liefde bij elkaâr
U prijzen, eeuwige Onvolprezen!
En Englen bidden aan 't altaar.