I.
Aller heemlen talloos heir.
Aller heemlen talloos heir,
Hoogte, diepte, lucht en zee,
Zingen tot des Scheppers eer:
Gij mijn dankbre ziel, zing meê!
't Zonnestraaltjen brengt Hem lof,
Want Zijn glimlach geeft het gloed,
Vrolijk prijst Hem 't starrenstof,
Dat daar opgaat voor Zijn voet.
Ieder frissche waterspat,
Bigglend aan Zijn vingertop,
Schrijft Zijn naam op bloem en blad
Met een vloeibren paereldrop.
Ieder vogeltje' op zijn tak
Prijst de Algoedheid die hem riep,
Die hem in de veêren stak,
En geboren zanger schiep.
Laat me, o Gij, die 't Al gebiedt!
U, den God der Majesteit,
Met mijn licht, mijn loop, mijn lied,
Loven tot in eeuwigheid!