III.
De ondoorgrondelijke God.
(Job XXXVIII, XXXIX.)
Wie durft Mijn raad met zijn dwaasheid verduistren? Maak als een held u ten strijde gereed! Spits uw vernuft om aandachtig te luistren! Ik zal u vragen: gij, leer me, als gij 't weet!
Waart gij er bij, toen ik de Aarde fondeerde? Leidde misschien mij úw godlijk verstand? Zeg, wie haar maat mij berekenen leerde! Hebt gij het paslood gezien in Mijn hand? In welken grond zijn haar zuilen gedrongen? Kent gij haar hoeksteen? de plaats waar hij zonk? Toen al de starren des dageraads zongen, 't Juichen der Englen den hemel doorklonk! Hebt gij de Zee zien ontstaan in haar kolken? Wie sloot haar machtige sluisdeuren af, Toen ik een sluier haar weefde uit de wolken, En haar den nacht tot een windeldoek gaf? Gingt gij de vaart harer zwellende stroomen IJlings met grendlen en poorten te keer? Riept ge: ‘Niet verder dan hier zult gij komen! Hier buig' de trots uwer golven zich neêr’? Kunt ge in zijn schuilhoek den Morgen bezoeken? Wekt gij hem op, dat hij 't Oosten ontsluit? Grijpt hij deze aard als een kleed bij de hoeken, Schudt hij, gehoorzaam, de boozen er uit? Volgt hij úw wenk, als de glans zijner stralen 't Duister gebroed der godlozen verstrooit, Als hij de bloemen penseelt in de dalen, Hoven en heuvelen in feestgewaad tooit? Kunt gij de klippen des Afgronds beklimmen? Hebt gij de diepten der Zeën bespied? Zaagt gij de zwijgende wachters der Schimmen? Kent gij de poorten van 't Doodengebied? Hebt gij den omvang der Schepping gemeten? Kent gij haar gants? Zoo verkondig het mij! Waar is het Licht op zijn zetel gezeten? Waar, op heur troon, voert de Nacht heerschappij?
Wijs mij wat grenzen hun rijken verdeelen! Toon mij wat weg naar hun lustpaleis gaat! Immers, gij weet het? Uw dagen zijn velen, U heugt de wording van al wat bestaat! Zaagt gij de sneeuw in haar schatkamers wachten? Zaagt ge in zijn tuighuis den hagel vergaârd? Wapens, bestemd voor de hand des Almachten, Tegen den dag der gerichten bewaard! Langs welk een pad stort, in blinkende stroomen, 't Schijnsel der zon zich zoo stil naar keneên? Langs welk een baan is de stormwind gekomen? Wie gaf hem vleugelen? en wáár gaat hij heen? Wie heeft der stortvlaag kanalen gegraven? Wie leidt de drijvende bui door de lucht; Dat zij de dorre woestijnen zou laven, 't Grasjen zou drenken, dat eenzaam verzucht? Wie teelt den daauw? en wie baart er den regen? Wie maakt den rijm, en wie strooit hem als asch? Wie stolt rivieren tot marmeren wegen, Golvende meiren tot spiegels van glas? Bindt gij het Zevengesternte aan elkandren? Hebt ge ooit den strik des Orions geslaakt? Kunt gij des Dierenriems teeken verandren? Hebt gij de wetten des hemels gemaakt? Zendt gij de bliksemen uit, en zij vliegen? Keeren ze en zeggen: ‘Hier zijn wij, o Heer’? Hebt gij de wolken geteld, die daar wiegen? Drupt ge uit haar flesschen de vruchtbaarheid neêr? Kunt gij den leeuw met zijn wulpen verzorgen? Hebt gij de prooi in zijn klaauwen gevoerd, Als hij, bij struiken en stronken verborgen, Liggend op 't nest, uit zijn hinderlaag loert?
Wie heeft de rave heur voedsel doen vinden? Wie hoort haar jongen en waakt voor haar lot, Als ze daar, fladdrend op d'adem der winden, Krijschen van honger en schreeuwen tot God? Zeg, wie de banden des wondezels slaakte, Wie hem verzond met het woord: ‘Gij zijt vrij!’ Wie hem een huis in de wildernis maakte, Herberging gaf in de zoutwoestenij? Ziet, daar belacht hij 't gewoel uwer steden, Door geen geroep van den drijver gestoord! Schraal is zijn spijs, maar met weinig te vreden, Graast hij in stilte op de berghelling voort. Slaat gij d' ontembaren woudstier in banden? Zal hij vernachten waar 't rund overnacht, Ploegen uwe akkers en eggen uw landen, Voeren uw zaad waar de dorschvloer het wacht? Hoort gij 't? Het klapwiekt daar ginds in 't bosschaadje! Wie maakt zoo vrolijk een vleugelgeruisch? Is dat des eibers geveêrte en pluimaadje? Neen, 't is de onhartlijke moeder, de struis! Zij laat aan 't noodlot haar eieren over, Laag in het zand, waar de hette ze broedt; Koel en lichtzinnig vergeet zij den roover, 't Vratig gedierte of den plettrenden voet. Kan zij haar kroost wel als 't hare beschouwen? Kent zij haar kindren? Het jammert haar niet: God heeft haar liefde en geheugen onthouên, Haar, wie óók eenmaal de moeder verliet! Zorgloos vervolgt zij haar pad door de heiden, En als zij voortijlt in suizende vaart, Kan wel geen renboô haar vlucht begeleiden, Lacht ze in heur wedloop met ruiter en paard! -
Geeft gij het paard al de fierheid der helden? Kleedt gij zijn hals met de pracht die er wuift? Schrikt gij het op als een sprinkhaan der velden, Als het omhoog springt en rookdampen snuift? Ziet, hoe het vlamoogt en stampt met de hielen, Trappelt en steigert in brieschenden moed, Spot met de vrees van bekrompene zielen, Vrolijk het weêrlicht der wapens begroet! Ratelt de pijlbus en trillen de lansen, Klikklakt het zwaard, tot de slachting gewet, 't Schijnt op den maatslag der trommels te dansen, 't Schuimbekt van drift op den klank der trompet. Luider nog doen de klaroenen zich hooren, 't Hinnikt hen toe, riekt van verre den strijd, En wáár de veldheer het drijf met de sporen, 't Blijft hem in leven en sterven gewijd!... Schiept gij dat paard ook? - En schiept gij daarneven, Dicht bij de wolken, den koning der lucht? Hebt gij den sperwer zijn vleuglen geweven? Gaaft gij den arend zijn reuzige vlucht? Leerde úw verstand hem zijn rotskasteel bouwen? Want hij vernacht op de bergen omhoog: Dáár overziet hij de lage landouwen, De eindloze verten, met bliksemend oog. Dáár vorscht hij rond naar zijn voedsel beneden, 't Aas, dat de onzinnige menschen hem biên: Want waar de bloedige strijd wordt gestreden, Boven de dooden, dáár zult ge hem zien!....
Kom, zal de mensch, die met God durfde rechten, Waanwijs zich mengde in des Eeuwigen raad, Zal hij zijn pleit nu met eere beslechten?
Toonen hoe ver zijn voorzienigheid gaat? Of - zal het heeten: ‘Mijn schuld is gebleken, Waar is de worm, die d' Alwijze doorgrondt? Ik ben te nietig, o God! om te spreken! Ik leg aanbiddend de hand op den mond’?
Cookies on Poetry Cove