Skip to content
1866

Stichtelijk huisboek

J.J.L. Kate

III.

Wat oproer wemelt door de straten Der daavrende Alexanderstad?Alexandrië. Wat doodelijke kreet is dat? Baant hier, van honger uitgelaten, Een kudde tijgers zich een pad? Neen: 't zijn de duizend feestelingen, Die, opgecierd in wulpsche pracht, Elkander naar de plek verdringen, Waar 't Heidensch Offerfeest hen wacht. Hoog boven al die bonte scharen Rijst, met gedrochtelijken kop, 't Verfoeisel der Egyptenaren, Serapis, van zijn voetstuk op. De leliewitte stieren loeren: De sisters raatlen door elkaâr; De knetterende vlammen gloeien, De bloed- en melkrivieren vloeien En overplasschen 't dankaltaar. Al wilder wordt het feestgebaar, Al woester menglen zich de zangen. Het volk omjoelt de priestrenrij: De vreugde stijgt tot razernij En bliksemt uit de purpren wangen. Maar huiverend voor zulk een eer, En van den bleeken schrik bevangen, Ziet uit haar reine hemelsfeer De Paaschzon op die gruwlen neêr. Toch zal hun maat nog hooger steigren....

Hoor, hoe een schelle stem weêrklinkt: ‘Wee, die met ons niet jubelzingt! Wee, die Serapis hulde weigren!’ En alles juicht, in woest gedruisch: ‘Wee, wee d'aanbidders van het Kruis!’ Nu rukken ze onder knersentanden Naar 't afgelegen Bedehuis, En breken door de schaamle wanden, En werpen met verwaten handen Den heilgen Nachtmaalskelk tot gruis. Met plegtige ernst en zonder vreezen, Ligt daar de Bisschop neêrgeknield: 't Is uit zijn stralend oog te lezen, Wat kracht van Boven hem bezielt.... De Godsman! hij zal 't offer wezen! Men strikt hem vast aan 't knellend koord; Men sleept hem meê, men schopt hem voort... Houdt op, dolzinnige barbaren! Ziet hoe zijn bloed de steenen kleurt! Ziet hoe dat lichaam kneust en scheurt! Hebt eerbied voor die grijze hairen, Die gij door 't slijk der straten sleurt!.... Ach, 't wouddier moog' verteederd worden, De mensch put al zijn wreedheid uit. Alleen de steile zeekantDe Bucelus. stuit Den wedren der bloeddronken horden; En de avond, donker als het graf, Breekt onverwachts het treurspel af. ‘Rust zachtkens van uw wandelwegen, Wij zien elkander morgen weêr!’

Zóó grijnzen zij hun offer tegen; En hij, bedwelmd inéén gezegen, Stort in den vunzen kerker neêr. Maar naauw herademt hij van 't lijden, Of hoort! zijn lippen fluistren zacht: ‘Mijn Jezus! U zij dank gebracht, Dat ik den goeden strijd mocht strijden, Dat Gij me Uw smaad hebt waard geacht!’ Ziet! dat is trouwe, dat is kracht! - Johannes Markus! wend uw schreden Naar dit beschamend schouwspel heen! Wat harde les!.... Neen, driemaal neen! 'k Herken u, Martelaar van heden: Gij zijt de Vluchtling van 't verleên!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Stichtelijk huisboek · J.J.L. Kate · Poetry Cove