Drie koningen.
Ze is opgegaan uit 's waerelds Oosten, De Jakobsstar, zoolang verwacht, Die Adams kindren zal vertroosten Van veertig-eeuwschen zondenacht! Der Tijden volheid is verrezen Uit Bethlêms armen herdersstal: Hij kwam, die hun bestemmer wezen, Hun godlijk keerpunt worden zal! Wat aarzelt gij, o langverjaarde, U-zelven onbewuste Drie, Gij Koningsmachten dezer aarde, Wet, Heerschappij en Profecie! Naar Davids stad! Aan Jezus' voeten! Gaat, op de schaamle krib geleend, Aanbiddend den Gezalfde groeten, Die u vervult, vernieuwt, vereent!
Wat blijft gij in uw plechttalaren, Gescheiden van den grooten drom, Hoogmoedig op uw Thora staren, Gij Priesterkaste in 't Heiligdom? Die steenen Tafelen verplettren - Hij, levendige Zedewet, Hij wendt den vloek der doode Lettren, En brengt den Geest, die zielen redt! Wat al uwe offers niet vermochten, Vermag Zijn heilig hartebloed: Ontzondigden en vrijgekochten Voert Hij Gods Tempel te gemoet;
Hij scheurt Gods dochteren en zonen Den voorhang van 't veroud gordijn, En doet in 't Heiligste hen wonen, Waar ze àllen Gode Priesters zijn!
Wat tast ge in schemerende droomen, Gij Leeraars! naar het wezen rond? De blinddoek is uw oog ontnomen: 't Onzeker schaduwbeeld verzwond. Uw raadsels vinden hun verklaring In Hem, Gods eeuwigsprekend Woord, Gods klaarste en heerlijkste Openbaring, In Wien gij 't Hoogste ziet en hoort: d' Onzichtbre, die zich zienlijk maakte, De Waarheid, in uw vleesch en bloed, Den God, naar wien uw ziele blaakte, Den Mensch, gelijk hij worden moet, Die door al 's aardrijks vlakten henen De zee der Kennisse verwijdt, En zelfs de kinderkens en kleenen Tot juichende Profeten wijdt!
En Vorsten! gij, wier purperwade Met bloed en tranen was bemorscht! Wordt Koningen bij Gods genade, En dienaars van den Vredevorst! Hij kwam, Wien alle troonen wijken, Die zelf uw kroon boetseerde uit slijk, Die eenmaal àlle koninkrijken Doet smelten tot één, eeuwig, Rijk. Waar zwaard en schild te samen roesten In 't algemeene olijvendal, Waar 't recht des sterken niet verwoesten,
Noch zwakheid onrecht wezen zal; Waar zij, die hier de minsten heetten, In de eersten zich herschapen zien, Wien, op huns Konings troon gezeten Tot zelfs Gods Englen hulde biên!
Naar Davids stad! Aan Jezus' voeten! Drie Koningsmachten dezer aard! De Star, wier aarde en hemel groeten, Leidt door de diepte Hemelwaart!
Cookies on Poetry Cove