Skip to content
1866

Stichtelijk huisboek

J.J.L. Kate

Een Paasch-Kantate.

choor. Wijze: Psalm 65. Wij naadren met onze offergaven De kille doodsspelonk,

Waarin de Lijder is begraven, Die ons den vrede schonk. Wij leggen daar, met zalig beven, Geen myrrhe of balsems neêr, Maar heel ons hart en heel ons leven, Uw eigendom, o Heer! recitatief. De dag werd nacht; de tempelzuilen kraakten, De voorhang golfde, en scheurde van elkaâr; De dooden in hun schimmenrijk ontwaakten; En Sions dochtrenschaar Sloeg kloppende op heur borst, in nokkend rouwmisbaar.

En als de Heer zijn ziel had uitgegoten Op de ijzren lans die door zijn zijde ging, En, of Hem aarde en hemel had verstoten, Vermoord aan 't vloekhout hing, Daar naakte 't vriendenpaar den bleeken Kruiseling!

Zij beurden Hem al zachtkens naar beneden, En balsemden de wonden van het kruis; De blanke wade omwindelde Zijn leden, De rotsgrot werd Zijn huis, Waarop de nachtdauw weende, in 't avondwindgezuis. aria. Wijze: Gezang 29. Vloei nu, laat u niet bedwingen, Stille traan, voor God geschreid! Onder 't schreien wil ik zingen, Heer! van Uw barmhartigheid. Onder 't lijden, onder 't strijden, Wil ik U mijn ziele wijden,

Tot door U de dag ontwaakt, Die haar laatste banden slaakt. fuge. Des Hoogsten raad is wonderbaar: Maar de uitkomst heerlijk, hemelklaar! recitatief. De Heere was in 't graf in zachten slaap gegleden; Hoe stoorloos rustten daar zijn uitgestrekte leden, Na zooveel gruwzaamheên!... Hij, op wiens wenk zich eens de Apostelen verdrongen, De kreuplen huppelden, de stommen 't hallel zongen, Hij lag nu gants alleen!

Een zevenvoudig zwaard doorboorde 't hart der Moeder; Zijn Jongren vloden heen als lammren zonder hoeder, Als duiven zonder wijk: De rotsman was vergruisd, de schoolvriend was verdwenen: De luistrende Engel slechts ging door de grafzerk henen, En hield de wacht bij 't Lijk. aria (of duet.) Vredig moogt ge slapen, Lijder, voor een korten tijd! Al Uw arme schapen Dwalen wijd en zijd. Maar Gij zultze leiden Naar de frissche weiden, Naar het kristallijn Van de Levenswaatren, Waar het hallelschaatren Zonder eind zal zijn!

fuge. Zijn sluimring was Hem zoet, en balsem na de pijn! recitatief. Zijn moorders, die hun prooi tot in den dood nog haatten, Zij repten, kruipend laf, zich naar Pilatus heen, Omcingelden het graf met heidensche soldaten, Verzegelden den steen. aria. Zoo wilde de onmacht de Almacht weeren, Zoo sloot de dood het Leven in! Maar eeuwig blijft de raad des Heeren, Wat vonden ook de haat verzin': Hij weet de arglistigheid te buigen, Zóó dat zij-zelf der waarheid moet getuigen! choor. Vreest d'Allerhoogste, den Vader der dingen! Licht is Zijn kleed, en 't heelal Zijn gebied. Wee, die d'Almachte Zijn staf wil ontwringen, Alles regeert Hij, die alles voorziet! De Engel aanbid' Hem, de dwaze bespot' Hem, Alles is uit Hem en door Hem en tot Hem: En op Zijn wenk stort de Boosheid in 't Niet! recitatief. Maar ziet, reeds draagt het morgengraauwen; De nacht neemt afscheid van den hof, Waar Gods Gezalfde slaapt in 't stof. Daar naderen de droeve vrouwen, Om - zoete smart! - de plaats te aanschouwen, Waar heur gestorven Heiland ligt,

Om - zoeter nog! - zijn vriendlijk aangezicht Met liefde-zalve en tranen te overdauwen. Maar hoor! daar knalt Een plotselinge donder... De bodem golft, en - zielontzettend wonder! - Een Engel daalt, de grafsteen valt. Sneeuwwit zijn zijn kleedren, Van zijn duivenveedren Straalt een bliksemgloed. Ziet, de wachters wijken, Struiklen voet voor voet! Gij Heldenschaar, is dàt uw moed? De Helden zijn als lijken!... Maar tot de vrouwen klinkt een toon, Zoo hemelsch-schoon, Of Davids harpsnaar ruischte: ‘Ai, vreest niet meer! Gij zoekt den Heer, Uw Jezus, den Gekruiste, Zijn raad geschiedt: Hij is hier niet, Hij is het graf ontstegen. Komt hier, en ziet De plaats waar de Heer heeft gelegen!’ choor. Hij is hergeven! Hij is verrezen Uit angst en vreezen, Uit 's aardrijks schoot!

Het Nieuwe Leven Is nu begonnen,

De Hel verwonnen, De Dood gedood;

En Englen zweven Met vredepalmen, Met jubelgalmen, In 't morgenrood! recitatief. Nog zochten ze heur rustenden Messia: O zoete schrik! Hij was reeds opgestaan. Hartroerend zacht sprak Hij de weenende aan: ‘Maria!’ Toen viel op eens de blinddoek van haar oog, En 't schokte haar door hart en ader: ‘Nu vaar ik tot mijn God omhoog En uwen God, tot mijn en uwen Vader!’

Den Jongeren, nog treurende om Zijn lot, Verscheen Hij om hun vrede te verkonden; Hij toonde hun de teeknen Zijner wonden, En Thomas riep: ‘Gij zijt mijn Heer en God!’ verscheiden zangstemmen. De Heer verdreef den zielennacht, Die onze groeve omwaarde! choor. Verlosten, juicht! De Heer omzweeft U. Verheft Zijn hemelmajesteit! Want Hij was dood, en ziet, Hij leeft nu Van eeuwigheid tot eeuwigheid! fuge. Hem is gegeven alle macht In hemel en op aarde.

choor. Wijze: Gezang 96. Hallelujah, Jezus is verrezen! Jezus leeft en bidt voor mij. 'k Heb voor dood noch helle meer te vreezen; Mijn Verlosser streed mij vrij Schachtend zucht mijn brandend zielsverlangen Om de kroon der heerlijkheid te ontfangen. Heer! ontsluit mij, naar Uw woord, 't Eeuwig bloeiend Palmenoord!

(Van verre naar von mayer).

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Stichtelijk huisboek · J.J.L. Kate · Poetry Cove