III.
Wee der Bloedstad! vol van logen, Voert zij 't dwanggeweld ten top! Nooit heeft zij genoeg bedrogen, En het rooven houdt niet op! Hoe klappen En klaatren De zweepen! Hoe rammlen de raadren dooreen! Hoe trappen En schaatren De paarden! Hoe wervlen de waagnen daarheen! De ruiter rent aan! De strijdzwaarden glansen! Hoe vlammen de lansen! Wat dooden! wat lijken tot heuvlen gelaân! De overvloed der neêrgeslaagnen doet u struiklen op uw baan!
De maat der gruwelen is eindlijk volgeschonken Dier schittrende boelin, die, lachjens om den mond, En 't alvermeestrend oog vol wulpsche minnelonken, In volkren handel dreef, door haar betoovring dronken, En natiën verkocht, die zij in kluisters bond!
‘Voorwaar, Ik wil het!’ spreekt de Heer der legerscharen: ‘U rukk' verwaten spot den sluier van 't gezicht; Der Heidnen overmoed moge u in de oogen staren! Der Koninkrijken schimp zij op uw schand gericht! 'k Zal u met walglijk slijk doen werpen, en voor allen U stellen tot een schande en spiegel van ellend! Dan vlucht u elk en zegt: “Ja, Nineve is gevallen, Maar wie die haar vertroost of deernis voor haar kent?”’ Of, waant ge u meer dan NoHet honderdpoortige Thebe., dat, midden in rivieren Gelegen, en rondom door wateren bespat, Het meir tot ringmuur, 't meir tot vestingwerk bezat? Kusch en Egypte was haar sterkte, en soldenieren Vat Put en Libyën zag ze om zich henen zwieren In menigt', die geen einde had! En echter werd ook zij in ballingschap gestoten, Gevanklijk weggesleept! Zij zag in arren moed Heur dierbre kinderkens verplettren voor heur voet, Haar Eedlen door het lot verdeelen, en haar Grooten In ijzren boeien vastgesloten! Zóó zult ook gij, o Ninevé! Den zwijmelbeker van Gods gramschap drinken moeten! Gij draagt de teekenen van uw verneedring meê, En zoekt aan allen kant, met wankelende voeten, Tot bij uw vijand-zelfs, een schuilplaats tegen 't wee! Uw sterkten zijn gelijk aan zooveel vijgeboomen, Van de eerste vruchten vol: men schudt hen, en zij stroomen Hem die wil eten in den mond! Het krijgsvolk in u zag tot wijven zich herkneeden; Van zelve ontsluiten zich de poorten uwer steden Hun die vijandig nadertreden,
En knagend waart het vuur heur grendelen in 't rond! Versterkt uw vestingen van ondren en van boven! Put water, eer 't beleg den Tiger u ontvreem'! Verbetert vrij den ticheloven, En vormt de klei, en kneedt het leem! Toch zult ge u niettemin aan 't vuur zien overleevren! Toch woelt weldra het zwaard zich in uw boezem om! De vlammen zullen u verteren als de keevren... Vermeêrt als keevren u! ja, als een sprinkhaandrom! Zijn ze ook ontelbaar, uw gehuurde legertallen, Meer dan des hemels starrenheir, - 't Zijn alle keveren: nog naauwlijks ingevallen, Ontvliegen zij op eens, en keeren nimmer weêr! Zij, die gij uitkoost om uw legers te beschermen, Uw Oversten des krijgs, zij zijn als sprikhaanzwermen, Als sprikhaanzwermen al de Hoofden, die ge telt: Zij leegren in de koû zich bij de heiningmuren: De zon gaat op na weinig uren, Zij vliên en niemand weet waarheen ze zijn gesneld! O Assurs Vorst! uw herders slapen: Uw legerhoofden zijn in ijdle rust gegleên! Uw volk dwaalt op 't gebergt' als hoederloze schapen, En niemand zamelt ze bijeen! Daar is geen heeling voor uw breuke: smartlijk branden De wonden die u doen vergaan! Al wie uw mare hoort, zal klappen in de handen, Want wien randde uw geweld niet onophoudlijk aan?
Cookies on Poetry Cove