Skip to content
1866

Stichtelijk huisboek

J.J.L. Kate

II.

Dan, Isrêl! heft gij 't hart naar boven, En jubelt op verhoogden toon: ‘O Heere God, ik zal U loven, En loven uw gezalfden Zoon!

Ik droeg een korten tijd uw toren; Maar hij versmolt tot medelij'. Nu ben ik tot uw volk herboren, En Gij vertroost en zegent mij!

God is mijn heil! Mijn jammren weken, Ik ben gerust en vreeze niet: Gods trouw is wonderbaar gebleken! Hij is mijn heil, mijn lof, mijn lied!...’

Dan zult ge u ter fonteine reppen, Terwijl gij vrolijk jubelzingt, En haastig uit dat water scheppen, Dat tot in 't Eeuwig Leven springt!

Dan zult ge uw dorre ziel verfrisschen Uit Gods verjongende adersprank; De tranen uit uwe oogen wisschen En juichen met vernieuwden dank:

‘Gij volken, looft den Heer der heeren! Roept meê den naam des Vaders aan! Laat al wat adem heeft, Hem eeren, En roemen in zijn gloriedaân!’

Gij snaren, klinkt! en ruischt, gij psalmen! Want wondren teeknen 's Heeren spoor. Zijn heerlijkheid moet de aard doorgalmen, En galmen al de heemlen door!

't Moet al den God der Liefde aanbidden! En Gij, o Vredekoning, kom! En tabernakel in ons midden, Als in uw eigen Heiligdom!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Stichtelijk huisboek · J.J.L. Kate · Poetry Cove