II.
Dan ligt hij de schellen van de oogen des blinden,
Dan spreekt Hij, en de oore des dooven ontsluit.
Dan springen de kreuplen als hupplende hinden,
Dan roepen de stomme hun dankbaarheid uit.
Dan zullen fonteinen de heide doorklaatren;
De dampende poel zal een vijverkom zijn;
De rotsen versmelten, en levende waatren
Vervange het drogbeeld der heete woestijn.
Ter plaats, waar, in rietbosch en biezen verloren,
Het drakengebroed zich onthield bij 't moeras,
Daar fluit nu de vlasvink in 't golvende koren,
Daar dartlen de runders door 't klaverrijk gras.
Men zal er een weg voor Gods heiligen banen:
Hij-zelf voert de zwaksten als gids bij de hand.
Daar schudt geen leeuwinne de dreigende manen,
Daar bliksemt geen ondier met hongrigen tand!
Geen onheil bejegent de vrienden des Heeren,
Zij wandlen er veilig, verlost voor altijd;
Zij trekken naar Sion; zij komen en keeren
Met jubelgezangen, hun Heiland gewijd.
De bloeiende meien bestrooien hun wegen;
Een hemelsche vreugd gaat hun vrolijk ter zij':
Daar rust op hun hoofden een eeuwige zegen,
Voor eeuwig zijn kommer en zuchting voorbij!