V.
Daar ligt hij, bloedende en bezweken, Zieltogend in den kerker neêr. Zijn voorhoofd bonst, zijn wonden steken, Hij voelt geen zweem van smarte meer: Want schoon zijn stoflijke oogen breken, Zijn ziel blikt rond in Hooger sfeer. Als kwam een duive neêrgestreken, Zóó waait een zachte lucht hem aan: Hij ziet een lichtgestalte staan, Zoo heilig-vriendlijk en volkomen Gelijk zich kindren de Englen droomen. Zij neigt het hoofd, en hemelzoet Als wen het windtjen onder 't zweven De ëoolsche harpsnaar zuchten doet, Wêerklinkt haar stem: ‘Houd goeden moed!’ ‘Gij staat in 't Boek des Lams geschreven, Ik breng u Jezus' welkomsgroet?’ - 't Gezicht verdwijnt. - Daar dringen kreeten 't Verwulfsel van den kerker door; De grendel knerst - een rosse gloor Van fakkels glinstert door de reeten, En huilend werpt de beulenschaar Zich neder op den Martelaar: ‘Wij hebben de afspraak niet vergeten: Op, Kruisprofeet, de dag is dààr!’.... Zij sleepen 't lichaam, klam van bloede, De straten langs van wijk tot wijk, Onwetend dat ze in blinde woede Hun wrake koelen aan - een lijk! Want boven wel en wee verheven
En al des waerelds razernij, Hoort reeds zijn ziel, met zalig beven, De blijde boodschap van nabij: ‘Een goede dienstknecht waart gij Mij, Ontfang de kroon van 't Eeuwig Leven!’
Wie meent te staan, zie biddend toe, Eer de overmoed hem vallen doe! Wie viel, rijze op en worstel' verder! 't Schaap, dat het meest was afgedwaald, Door Gods genâ teruggehaald, Leeft vaak het dichtste bij den Herder; 't Zijn boetelingen, die vóóraan In 't leger der Getrouwen staan. Wel hem, die uit zijn zielewonde Een nieuwe zielekracht bereidt, En dus, verwinnaar zijner zonde, Zijn kerker-zelv' gevangen leidt!
Cookies on Poetry Cove