Paaschhymne.
Jezus is verrezen! Aarde en heemlen, hoort het aan! 't Moet uw wachtwoord wezen: ‘Hij is opgestaan!’ Al de zarken, al de zooden, Schudden op 't geluid: 't Is een stem tot alle dooden: ‘Lazarus, kom uit!’
Bij het morgengrauwen, Tusschen 't groen olijvenlof, Naderen de vrouwen Jozefs stillen hof. Ach, zij zien het licht ten halven, 't Breekt in traan bij traan -
Om het dierbaar lijk te zalven Zijn zij opgegaan.
't Lied der nachtegalen Klinkt haar als een uitvaartlied, En de lentestralen Koesteren haar niet Wie heeft myrrhe voor haar smarten? En wie stoot van 't graf, En wie wentelt van haar harten Dezen lijksteen af?
Hij is neêrgezegen! Roerloos staan zij waar hij zonk. 't Leven straalt haar tegen Uit de doodspelonk. 't Angstig oog blijft vruchtloos zoeken: Wat het liggen ziet, Zijn de windsels en de doeken - 't Is de Heiland niet!
Nieuwe tranen stroomen; En zij snikken, zielsbedroefd: ‘Hij is weggenomen! Zeg ons waar Hij toeft! Slaapgroeve, in de rots gehouwen! Kalme olijvendreef! Zegt, o zegt het zijn getrouwen, Waar heur Heiland bleef!’
Maar een glans der heemlen Schrikt de vrouwen uit elkaâr: Serafswieken weemlen - 't Is een Englenpaar!
En hun zilvren stemmen zweven, Aan muziek gelijk: ‘Zoekt den Vorst van 't Eeuwig Leven In geen doodenrijk!
Denkt ge een lijk te vinden? God, wiens Koningskind ik dien, Heeft Zijn welbeminden Geen verderf doen zien. Jezus rees - zijn windselen vielen; En zijn sterke hand Sloeg den Vijand uwer zielen In dien zelfden band!
Jammerende schapen! Toen gij Hem verloren dacht, Lag Hij hier te slapen Tusschen de Englenwacht. 's Vaders wekstem trof zijn ooren.... Schiet nu vleuglen aan, Doet het al zijn Jongren hooren: “Hij is opgestaan!”
Hij heeft al den Zijnen 't Zaligst wederzien bereid! Hij zal straks verschijnen In zijn heerlijkheid! Trekt Hem langs de groene wegen, Hupplend waar gij gaat, Met uw hallelujahs tegen, Tot Hij voor u staat!’
Vrees en vreugd des Heeren Brengt den droeven 't Englenwoord;
Als op duivenveêren Haasten zij zich voort, Om de trouwe Apostelschare, Die nog angstig treurt, 't Hart te zalven met de mare, - Englen op háár beurt!
En daar staat, daar blinkt Hij, Jezus-zelf, in zonnegloed! Toevende, wat zinkt gij Twijflende aan zijn voet? 't Is uw Meester, uw Messia, Waar uw hart aan kleeft; Hoor, Hij noemt uw naam: ‘Maria!’ Amen, ja, Hij leeft!
Ja, dat zijn die wonden! 't Is zijn Koningsblik, zijn stem! Hij is weêrgevonden, En - de vreê met Hem! Palmen van 't herwonnen Eden Ruischen in den wind; De oude slang is platgetreden, 't Hemelrijk begint!
Kust zijn kleed, gij Elven, In aanbiddend zielsgenot! 't Beeld des Vaders-zelven Is uw Heer en God! Volgt Hem, tot Hij, henenvarend Met zijn zegekroon, Als een breedgevleugelde arend Opstijgt naar Gods Troon!
Gaat nu, Vreugdeboden! Met de last die Hij u geeft: Roept tot alle dooden, Want de Redder leeft! Duizenden, reeds half versteven In den nacht des doods, Zullen door en voor Hem leven, Eeuwig en altoos!
Wij ook, Man van Smarten, Die ons vrijkocht met uw bloed! Leggen onze harten Neder aan uw voet. Wij ook, Koning onzer Vrede! Bidden om uw geest: Deel ons al uw schatten mede, En uw liefde 't meest!
't Doet ons hart geen schade, Schoon ook de aarde aan gruizlen sloeg: Aan Uw heilgenade Hebben wij genoeg. En, of 't lijkkleed ons omwikkel', Straks verbreekt de cel, Bij ons: ‘Dood! waar bleef uw prikkel? Waar uw zege, o Hel?...’
Komt dan, Broederscharen! Ook òns Pascha is geslacht: Looft Hem met uw snaren! Psalmt Hem dag en nacht! De oude windslen die u bonden, Zijn voor Hem gezwicht:
Stapt dan uit het graf der zonden In de schoot van 't Licht!
Cookies on Poetry Cove