II.
Hij rukt aan, de Verstrooier, tot onder uw oogen! De vesting bewaakt! stel uw posten ter wacht! De lendnen omgordeld! ter uitkijk gevlogen! Versterkt (schoon vergeefs!) al uw moed en uw kracht! Ja, weêr doet de Heer Jakobs luister ontwaken, En Israëls luister herleeft eens op nieuw, Schoon 't snoeimes der stropers den wingert deed kraken, En doodend in ranken en bladeren hieuw! Op 't schild zijner helden gloeit bloed der verslagenen! Scharlaken is 't kleed, dat zijn krijgslieden ciert! Als vuur zijn de zeissens der blikkrende wagenen, Wanneer Hij ten aanval den dennenlans zwiert!
De krijgskarren ratelen over de wegen: Zij daavren langs wijken en pleinen daarheen. Als fakkelen vlammen hunne oogen u tegen: Zij rennen als stralen des bliksems dooreen. Eerst nu roept de Assyrier zijn strijdbre getallen; Zij struiklen en vallen van schrik onder gaan: Wel snellen zij heen naar de omcingelde wallen, Maar reeds grijnst er 't stormdak des vijands hen aan! Daar oopnen de poorten der zwalpende wateren! De vijand bruist binnen in golvenden stoet, En 's Konings paleis stort met donderend klateren Verbrijzlend ter neêr en versmelt in den vloed! Huzabé, geschandvlekt en sluierloos vluchtend, Wordt henengevoerd, door den bloedstroom bemorscht: Heur maagden zijn met haar, als duivekens zuchtend, En slaan voor de adufe de jammrende borst!... En Ninevé is tot een slijkpoel vervallen, Eén enkelen slijkplas, één drassige kom! Ziet! doodsbleek en ademloos vlieden zij allen... Houdt stand toch! houdt stand toch!... maar niemand ziet om. Rooft zilver! rooft goud! daar 's geen einde der vaten, Der schatten, tot heerlijke pronksels gevormd! Leêg, uitgeleêgd alles! niets overgelaten, Maar alles ten puinhoop omverre gestormd! Elks harte smelt weg, ieders lendenen knikken, Elks kniën bezwijken, geschokt en ontwricht! Een doodende smart overfloerst ieders blikken, De vuurgloed der wanhoop dekt aller gezicht! Wáár is de spelonk nu, wáár zijn nu de paden, De bloedige weiden van 't leeuwengeslacht, Die Leeuw en Leeuwin met hun wulpen betraden, Door niemand ontrust in de moordende jacht?
De Leeuw, die naar lust voor zijn wulpen verscheurde, En worgde voor de oude Leeuwinnen zijns hofs, Die voedsel en buit naar zijn roofholen sleurde, En prooi zich op één hoopte als heuvelen stofs! ‘Voorwaar! 't is Mijn wil!’ klinkt de stemme des Heeren: ‘Ik zal heel uw roofnest door vuurvlam verteren, Uw leeuwengebroed doen verslinden door 't zwaard! Nooit zal uw geweld meer de waereld trotseeren! Nooit stem uwer bodem meer klinken door de aard!’ -
Cookies on Poetry Cove