V.
Gij gistet wèl. Uw Heiland stierf.
Maar ook - uw Heiland is verrezen!
En spoedig mocht ge bij Hem wezen,
Waar u Zijn zoendood plaats verwierf.
Ach! reeds voor achttienhonderd jaren
Liet Hij, met heel uw huisgezin
En allen die Hem dierbaar waren,
Bij 't juublen Zijner Englenscharen,
U tot Zijn blijdsten Hemel in.
En aan Zijn Bruiloftsdisch gezeten,
In aller zaligheden schoot,
Zijt gij de wonden, hier gereten,
Uw worstelperk, uw nood en dood,
Misschien voor eeuwig al vergeten.
Maar, naar uws Meesters heilig woord,
Leeft nóg, in álle waereldoorden
Die 't Evangelie klinken hoorden,
Uw naam en daad onsterflijk voort.
En waar we, in de aardsche school des Heeren,
Ooit spreken van een heilbegeeren,
Dat hongert naar gerechtigheid,
Een vast vertrouwen, dat in 't duister
Der doodsvallei van God niet scheidt,
En liefde in al haar hemelluister, -
Dáár rijst uw beeld ons voor den geest,
En lispelt: ‘Heft het hoofd naar Boven!
Zij worden zalig die gelooven,
Maar die beminnen, allermeest!’