Skip to content
1866

De schepping

J.J.L. Kate

Eerste tafereel. ‘Zou er wel waarlijk overeenstemming bestaan tusschen de uitkomsten van het ernstig onderzoek op het gebied der Aardkunde en der Natuurkunde van den Mensch, en tusschen de bijbelsche oirkonde betreffende de eerste geschiedenis der waereld?’ Zietdaar wel eene der groote vragen van onzen kritischen tijd: een vraag, waarop men het toestemmend andwoord lang schuldig is gebleven, vooral ook ten gevolge eener bekrompenheid, die aan de letter der profetiesch-dichterlijke beschouwing van Mozes angstig bleef vasthouden. Een belangrijke schrede verder tot de erkentenis der harmonische verhouding van het Mozaïesch scheppingsverhaal en de wetenschappelijke slotsom aangaande de formeering onzer Aarde, was de, thands wel algemeene, omhelzing van het gevoelen der uitstekendste filologen, dat de ‘dagen’ uit het Mazaïesch scheppingsverhaal, zonder den geest der Hebreeuwsche taal geweld aan te doen, gevoegelijk beschouwd kunnen worden als op elkander volgende tijdperken van groote uitgestrektheid. Dit gevoelen wordt des te aannemelijker, wanneer wij mede vaststellen, dat Mozes in een vizioen van zoogenaamde retrospektive (achterwaarts ziende) Profecie de goddelijke openbaring betreffende de schepping zal ontfangen hebben; zoo als dan ook trouwends zijne oirkonde (reeds Eichhorn heeft het opgemerkt) ons niet zoo zeer een scheppings-verhaal als wel een scheppings-tafereel geeft. ‘De openbaring,’ zegt Hugh Miller, in zijne Getuigenis der Gesteenten bl. 136, in overeenstemming met Dr. Kurtz, ‘heeft al het karakter van een profecie door middel van gezichten, van een profecie door ooggetuigenis, en kan misschien 't best begrepen worden door haar eenvoudig te beschouwen als een vertooning der verschijnselen, die werkelijk bij de schepping plaats grepen, aan het zielsoog van den profeet, naar de gewone wetten van het perspektief, en die door hem getrouw beschreven werden in de ongekunstelde taal van zijnen tijd.’ - ‘Nemen wij dit aan,’ zoo voegt genoemde Schrijver er elders nog bij, ‘dan hebben wij bij de bepaling der scheppingsdagen aan niets anders te denken dan aan het aanbreken van het licht in de duisternis, waardoor de eerste dag in het eerste profetiesch gezicht ontstond; gelijk er even zoo aan al de vijf volgende dagen en gezichten een begin en een einde kwam. Alleen van den zevenden dag is de avond nog niet gedaald: hij is de dag der ruste, waarop geen scheppings-arbeid, in den gewonen zin des woords, meer verricht wordt, maar die, geheiligd en gezegend boven al de dagen die voorafgingen, zich uitsluitend ten doel stelt de zedelijke verheffing en eindelijke verhooging van den Mensch, en dus nog altijd voortduurt.’

Bladzijde 4, regel 8. ‘De God des Hemels mint de bergen dezer Aarde.’

‘Hoogten en bergen plegen door geheel de Schrift heen gedenkwaardige plaatsen van goddelijke openbaring te zijn. De God des hemels en de mensch der aarde ontmoetten zich aldaar meer dan eens. De Allerhoogste daalt neder op hetgeen waar het schepsel tegen opklimt.’ - Da Costa.

Bladzijde 5, regel 5. ‘Alom de stempel van 't onheuchelijk Begin.’

‘Geen plaats ter aarde heeft zulk een ongewoon en eigenaardig uitzicht, als dat men van den top van den Sinaï aantreft. Het is dáár, als stond men midden op het reusachtig groote nest van een eenzamen adelaar, gebouwd op naakte, woeste rotsen en door twee zeën begrensd. Werwaards men het oog ook wendt, nergends een bosch; geen ruischende beek of waterval, geen hut of dorp, en wanneer de stem van storm en donder zwijgt, dan heerscht hier een stilte zoo majestueus, als op geen andere plek ter waereld. De woestijn van Sinaï staat daar als een nog onveranderd gewrocht van den derden scheppingsdag; als een gedenkteeken van de ure toen God sprak: ’Dat de wateren van onder den hemel in ééne plaats vergaderd worden en dat het drooge worde gezien!‘ Zij levert ons een aanschouwelijk beeld van dien tijd des begins, toen er nog geen gras, geen kruid of vruchtbaar geboomte was, geen levend gedierte, geen gevogelte, geen vee of menschen; maar toen, in plaats van de werkzaamheid des bezielden levens, slechts het gebod werd vernomen, dat aan de grondvesten der Aarde hare gedaante en aan de wateren hunne bepaalde grenzen gaf.’ - Schubert.

Bladzijde 10, regel 11. ‘In d' aanvang schiep de Heer de Hemelen en de Aarde.’

Dat woord predikt terstond eene dubbelde waarheid: vooreerst, dat er een begin is geweest aller dingen, en ten tweeden, dat er maar één eenig Schepper is aller dingen; en bevat alzoo een dubbeld protest: vooreerst, tegen het Heidensche Materialisme, dat van een eeuwigen chaos droomde, òf als altijd bestaan hebbende (Oostersche volken), òf als uit eeuwige bestanddeelen voortgekomen (Noordelijke volken); en ten tweeden, tegen het Veelgodendom.

Wanneer dat begin plaats heeft gehad, wordt niet uitgesproken; maar Geologie en Astronomie beide verzekeren ons, dat er een onnoemelijk getal eeuwen moet verloopen zijn, sedert de ‘hemel’ (daaronder begrepen de hemelsche heirscharen, zon, maan en sterren) en onze aardbol, in 't aanzijn traden. Herschell heeft berekend, dat het licht van eene der verste nevelsterren, die hij ontdekte, tweehonderdduizend mijlen aflegt in ééne sekonde, en tweehonderd millioenen jaren noodig heeft om onze Aarde te bereiken. Die nevelster-zelve moet dus op zijn minst even zoo vele jaren hebben bestaan. Evenzoo heeft men kunnen nagaan, dat er vier of vijf millioenen jaren moeten zijn voorbijgegaan sedert het begin van de eerste, door bezinking uit het water ontstane steenlaag. Intusschen, hoevele millioenen jaren er dan ook mogen zijn voorbijgevlogen, de Geologie bevestigt de Schriftleer, dat er eenmaal een begin is geweest.

Bladzijde 11, regel 18. Dat is de Aard. Maar in wat toestand nog? Een vormeloos beginsel, ‘Een Woest-en-Ledig.’

‘De Aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond.’ Gen. I : 2. Letterlijk Septuag. ἄορατος ϰαὶ ἀϰατασϰεύαστος, onzichtbaar en ontoebereid. Onzichtbaar: voor zoo ver de Aarde met water of damp was bedekt, en gehuld in 't duister dat over de diepte des afgronds hing. Ontoebereid: voor zooverre geen organische vormen van planten of dieren nog te voorschijn waren geroepen. Alzoo, een donkere, onbewoonde waterwoestijn. Met dit eerste bericht stemt de Geologie al terstond overeen; want zij leert ons, 1o. dat er een periode moet geweest zijn, ver in de eerste tijden der vóór-adamitische waereld, waarin onze geheele aardbol met water bedekt was. Dat water deed zijn invloed gevoelen op de gestolde aardkorst, en de daarvan afgeslagen steenen vormden een bezinksel of nederzetsel op den granietbodem der aarde. Op die eerste lagen pakten zich telkens nieuwe lagen, die nieuwe gesteenten (groepen, stelsels) vormden. De alleroudste lagen nu, kennelijk door zulk een bezinksel uit water ontstaan (en daarom sedimentaire lagen genoemd) worden in bijna elk toegankelijk deel der Aarde gevonden; waaruit volgt, dat dit water zich even ver als de rotslagen moet hebben uitgestrekt. En wat, 2o. de duisternis betreft: in het zoo even bedoelde vroege tijdperk, waarin de eerste rotslagen zich vormden in de zee, en dat gewoonlijk het azoïsche (dierloze) wordt genoemd, moet de temperatuur van aarde en water zóó hoog zijn geweest, dat er nog geen dieren of planten konden leven. De hette van de aardkorst moet toen zoo fel zijn geweest, dat de beddingen, oorspronkelijk blijkbaar in water nedergezet, tot een halfvloeibaren staat overgingen. Een onophoudelijke stoom moet alzoo de Aarde in tastbare duisternis hebben gehuld. - Gedurende dat tijdperk nu, was, ten 3o. de Aarde ledig, d.i. ontbloot van natuurlijk leven. Spijt alle navorsching, hebben de Geologen geen enkel overblijfsel van dier of plant in de zoogenaamde azoïsche lagen, of haar granietbasis, aangetroffen. Uit een en ander mogen wij dus besluiten, dat de Aarde voor een tijd bedekt was met water, onzichtbaar, zonder Planten- of Dierenrijk, met één woord: woest en ledig, en dat wel gedurende het gantsche azoïsche tijdperk: dat, waarin de Neptunische vormingen de Plutonische gevolgd waren, toen, bij 't ontstaan der lagen, de temperatuur van aarde en water, zooals wij reeds opmerkten, nog te hoog was dan dat daar dier of plant kon bestaan. - Zie o.a. Hugh Miller, Getuig. der Gesteenten, M'Causland, Sermons in stone, enz.

Bladzijde 14, regel 1. ‘Zie toe! de Geest van God daalt op de waatren neêr. Maar niet op vleugelen der stormen.’

‘De Geest Gods zweefde over de wateren,’ leest men Gen. I : 2. Te recht heeft men opgemerkt, dat deze woorden, die meestal de aandacht der uitleggers ontsnapten, inderdaad een sleutel te meer geven voor de overeenstemming tusschen de H. Schrift en de Geologie. - Sommigen vertalen door wind des Heeren, d.i. hevigen stormwind. Maar waar geen atmosfeer is, kan geen wind zijn, en de atmosfeer ontstond eerst op den tweeden scheppingsdag. Anderen hooren in deze woorden alleen de aankondiging van de tegenwoordigheid van den Geest der Godheid. Maar daarbij zien zij voorbij, dat er dan een overtol- ligheid zou gezegd zijn, omdat de verzekering wel niet noodig is, dat de Schepper tegenwoordig was bij 'tgeen Hij-zelf schiep. Zoo zijn wij dan wel genoodzaakt aan te nemen, dat Mozes met die woorden bedoeld moet hebben de aanduiding van de eene of andere meer specifieke werking van Gods Geest op de wateren die den aardbodem bedekten. Tot hiertoe was op het scheppingstooneel alles on-organiesch, maar het on-organische kan geen organiesch leven voortbrengen. Hier moet dus bedoeld zijn de eerste daad van schepping van Leven, het uitstorten van levenskrachten, in de wateren. Als de Geest Gods, de scheppingskracht Gods, daarop ‘zweefde’, (eigenlijk: ‘broedde’, als b.v. het broeden eener duive) traden de eerstgeschapene dieren in 't aanzijn, die, bij gevolg, onderzeesche schepselen moeten geweest zijn. Deze opvatting van het Mozaïesch verhaal wordt wederom door de Geologie bevestigd. Immers, van de azoïsche groep opklimmende van de onderste tot de bovenste steenlaag, en van daar tot de silurische groep, daarboven neêrgezet, vinden wij allengskens de eerste sporen van fossile (versteende) overblijfselen van organiesch leven, te weten: van zoöphyten (plantdieren), mollusken (weekdieren), crustaceën (schaaldieren), alle bij uitsluiting onderzeesche wezens.

Van de straaldieren, hoofdzakelijk koraaldieren, in den vorm van een ster, en van de crinoïden of steenleliën, hebben wij gepoogd in de volgende regelen een dichterlijke maar toch naauwkeurige schildering te geven.

Bladzijde 14, regel 19. ‘Dubbelzinnige gestalten, mengeling van Plant en Dier.’

Het Plantdier is allerwaarschijnlijkst de eerstgeborene der Aarde, want de geheele ontwikkelings-analogie in 't geschapene leert ons, dat de eersteling des levens geen hoogere trap van phyziesch organisme heeft kunnen bereiken dan het Plantdier, den bode eener aanstaande Dierenwaereld, met name van het later geschapene werveldier, waarvan de visch allereerst de hoogste klasse zou komen vertegenwoordigen. Juist omdat deze zoöphyten of plantdieren, even als de oudste mollusken of weekdieren, de organen van gezicht en gehoor missen, mogen wij veronderstellen dat zij 't aanzijn ontfingen éér het licht over onze Planeet opging om aan het gebied der duisternis over den afgrond een einde te maken. Het bestaan toch van het gezicht veronderstelt het bestaan van 't licht; en de afwezigheid van 't gezicht bij de eerstgeschapene dieren, bevestigt de Mozaïsche oirkonde, dat de ‘Geest Gods op de wateren broedde’, dat is: hen met leven bezwangerde, éér het licht tot hunne diepte kon binnendringen. Dit ‘broeden van den Geest op de wateren,’ intusschen, beperkte zich niet tot den eersten scheppingsdag (de vroegste scheppingsperiode) maar werd op den tweeden en derden dag voortgezet; zoodat, terwijl het licht verscheen en het uitspansel geformeerd werd, zelfs terwijl op den derden dag op het drooge het Plantenrijk ontstond, die Godsgeest nieuwe vormen van waterleven voortbracht: hoogere klassen van schelp- en schilddieren eerst; straks, na het ontstaan van het licht, de visschen. De Geologie bevestigt deze feiten en het Mozaïesch vizioen stemt er mede in. Het werk Gods op den vijfden dag toch, was inderdaad de schepping van een geheel andere soort van dieren (als wij later zullen zien): zoodat, als wij de schepping van de ongewervelde, onderzeesche dieren niet mochten en moesten opgesloten rekenen in de formule dat ‘Gods Geest op de wateren zweefde,’ het Mozaïesch bericht over hen het stilzwijgen zou hebben bewaard. - Dat doet het nù inderdaad niet; want met de Geologie leert het ons, dat Gods Geest op den eersten dag de wateren bevruchtte, terwijl het (even als de Geologie) niet zegt wanneer God ophield met het scheppen van onderzeesche dieren. Er is, bovendien, een geldige reden waarom Mozes de schepping der eerste zeebewoners dùs meer ingewikkeld, niet plastiesch, gelijk de schepping der andere wezens, aankondigt. Hij zag een vizioen - gelijk wij aannemen - en kon dus alleen datgene beschrijven waarvan hij oog- of oorgetuige was. Over wat hij niet zag of hoorde, moest hij wel het stilzwijgen bewaren. Daarom vermeldt hij elk goddelijk: ‘Fiat!’, dat hij hoorde; het ontstaan van het licht en het uitspansel, de verschijning van het drooge en het plantenrijk, m.a.w., al wat hij zag: - alzoo voorbijgaande wat hij niet zag en niet zien kòn, te weten: het ontstaan der onderzeesche dieren, maar getuigende van wat hij, door een of ander zinlijk teeken, in zijn droomgezicht waarnam: het ‘zweven van Gods Geest over de wateren’; gelijk een Ezechiël, in zijn beroemd vizioen, Gods Geest waarnam, blazende op de beenderen in de doodsvallei.

Bladzijde 19, regel 1. ‘Zoo was dan de Aarde, niet wat dichterlijke weelde Van later fantazy zich droomende verbeeldde.’

Dat hier gedoeld wordt op het bekende gevoelen, onder anderen van Chalmers en Buckland, zal wel geen nadere aanwijzing behoeven.

Bladzijde 19, regel 9. Hoe wordt den Ziener nu tot plotselinge klaarheid Wat, reeds in Memphis' School, zijn jonkheid van de waarheid, In 't fabelkleed van Knef versluierd, dorst vermoên!...

De Egyptische Mythologie is nog steeds in vele opzichten in dichte nevelen gehuld. De Oud-Egyptische leer (volgends Eusebius) stelt het volgende. Knef, de eerstgeboren Lichtgeest, of het gevleugelde Woord, wiens beeld een cirkelvormig gewonden slang is (symbool van het Eeuwige), de ‘ongeteelde en onvergankelijke God’, heeft de waereld eivormig uit zijnen mond uitgeademd, waarop Buto, de God der Duisternis, het ter verpleging ontfing. Uit het Ei (chaos of baaiert) ontstond Fta, de waereldformeerder, die uit de schaal het Heelal vormde. (Zie Eusebius, Praepar. Evang., III, 11.) Diodorus Siculus (in Bibl. Histor.) deelt ons niet zoozeer de aâloude Egyptische Mythologie mede, als wel de leerstellingen der Priesters van zijnen tijd, waarin de invloed van latere Griekscke en Romeinsche wijsbegeerte niet te loochenen is. Volgends hem stelden de Egyptische priesters het vroeger bestaan van een chaös, van een grenzenloze duisternis boven een afgrond, die straks door een godlijken Geest bezield werd. Nu hield de wanorde op, en de baaiert werd verdeeld in vijf elementen: geest, vuur, stof, water en lucht. Door de beweging der lucht verhieven zich de vuurdeeltjens, die nu de hemellichamen vormden, zon, maan en zeven planeeten. De vaste stof plofte neder en vormde de Aarde, waaruit de levende wezens te voorschijn kwamen. Verder moet ik hier, kortheidshalven, verwijzen naar Dr. Adolf Wuttkes' door het Haagsch Genootschap tot verdediging der Christelijke waarheid in 1850 bekroonde: Abhandlung über die Cosmogonie der Heidnischen Völker.

Bladzijde 21, regel 1. ‘Het oog is geboren.’

‘De oogbol is saamgesteld uit drie bekleedende vliezen en drie lichtbrekende vochten. De vliezen zijn de volgende: vooreerst, de sclerotica, of de buitenste, een wit, taai, vezelig vlies, in het voorste gedeelte waarvan de doorschijnende cornea, of het hoornvlies, is ingevat, even als een horologieglas. In het middenpunt van de iris is de pupil. Ten 2o. de choroidea, of het middelste vlies, gevormd uit bloedvaten, aan de binnenzijde waarvan zich een laag zwart pigment of kleurstof bevindt. 3o. De retina, of het netvlies, het binnenste vlies, dat een uitbreiding is van de gezichts-zenuw, door welke de slagader heenloopt. - De lichtbrekende vochten zijn de volgende: 1o. het humor aqueus, of het waterachtige vocht, dat binnen het hoornvlies bevat is. 2o. Het kristalvocht, dat in de lens bevat is. 3o Het humor vitreus, of glasvocht, dat de massa van den oogbol uitmaakt en besloten is binnen een uiterst fijn vlies, de membrana hyaloïdea. - Van deze deelen hebben alleen het netvlies en de choroidea aandeel aan het voortbrengen van de gezichtsgewaarwording. Het overige van den toestel is geheel optiesch, en heeft ten doel de beelden op dezen gevoeligen toestel te werpen.’ - Dr. George Henry Lewes.

Bladzijde 19, regel 16. ‘Daar zij licht!’

Het godlijk gebod: ‘Daar zij licht!’ en zijn gevolg, ontkent niet het vroeger bestaan van het licht, als een deel der oorspronkelijke schepping, of als eene van de primitive hoedanigheden van de zon en de andere hemellichamen. - 't Behelst alleen het bericht, dat het licht bevel ontfing dáár te schijnen waar duisternis was, t.w. op de wateren der aarde. ‘Duisternis was op den afgrond’; en God zeide: ‘Daar zij licht’, om de duisternis te verdrijven. - De zon scheen sints de schepping; maar eerst nù kon zij heendringen door den nevelsluier dezer aarde. En dat zij, gedurende het laatste tijdperk van de formatie der Silurische steengroep werkelijk tot de diepte doordrong door een doorzichtig medium, blijkt uit het gezichts-zintuig, nù bij de fossilen uit dat tijdperk in die steengroep gevonden. Maar, ofschoon er nu licht was, de verschijning van 't licht was toch met betrekking tot onze aarde progressief. 't Bescheen de aarde niet terstond in al zijn volheid, en eeuwen nog gingen er voorbij, eer een sterfelijk oog de gedaante van de zon en de andere hemellichamen kon aanschouwen. De tusschenruimte tusschen het eerste en vierde tijdperk der schepping zou kunnen vergeleken worden bij het langzaam aannaderen van den morgen, van den bleeken glans van het rijzende licht af aan, tot op den schitterenden zonneschijn eener wolkeloze lucht. Met de eerste schemering en de daarop volgende scheiding tusschen licht en duisternis (‘Dag en Nacht’) op de aarde, eindigt de eerste scheppingsdag (scheppings-periode).

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De schepping · J.J.L. Kate · Poetry Cove