Derde tafereel.
Bladzijde 56, regel 16. ‘Dikke dampen Slaan op en beuren, of een hefboom haar bewoog, De korst der waereld in fragmenten naar omhoog.’
Mozes' verslag van Gods werk op den derden dag, is een-voudig en klaar: de vorming of verschijning van het drooge boven de wijde uitgestrektheid der wateren en de schepping van het plantenrijk des aardbodems, om op de oppervlakte te groeien en zich uit te breiden. Wederom, wat zegt hieromtrent de getuigenis der Geologie? Vooreerst, wat betreft de vorming van het drooge. Wij zijn aan het einde van het Silurische en 't begin van 't Devoniaansche of ouden-rooden-zandsteen-periode. En alle Geologen stemmen hierin met elkander overéén, dat (te oordeelen naar de verschijnselen die deze formatiën vergezelden) deze periode vooral vulkaniesch moet zijn geweest; zoodat, zonder twijfel, toen vele van de voornaamste bergketenen der waereld uit de diepte zijn opgeheven geworden. Bij de voortdurende verstijving der aardkorst ontstonden er, door ongelijke afkoeling, scheuren en spleten, uit welke gesmolten massaas van uit het inwendige der Aarde naar buiten geperst werden. Het water, de Aarde bedekkend, vond op verschillende plaatsen een toegang tot den aardkern, waar het met de nog ten deele ongesmolten, gloeiende steenmassaas in aanraking kwam. Hierdoor werden onder de verstijvende schors dampen van geweldige spanning voortgebracht, aan welke het, na herhaalde pogingen, gelukte, afzonderlijke deelen, even als lagen, boven het waterpas der toenmalige zee omhoog te heffen. - Mozes verhaalt ons niet hoe God het drooge deed verschijnen, maar wijst alleen op het gevolg van Gods machtwoord: ‘En het was alzoo.’ Hij zag vaste-land, waar vroeger de wateren de overhand hadden - meer niet. Maar een zoo even bedoelde opheffing door vulkanische opstuwing, is de éénig begrijpelijke wijze, waarop vaste-land en eilanden zichtbaar konden worden op de vlakte der aardomgordelende zee. En dat dit drooge juist toen en niet vroeger te voorschijn is gekomen, wordt even treffend bevestigd door het feit der volslagen afwezigheid van eenig spoor van land-planten in eene der vroegere formatiën, en hare onbetwijfelbare aanwezigheid in de eerste tijdperken van de genoemde formatiën. Ten tweede. De Geologische getuigenis aangaande den oorsprong of de eerste verschijning van land-vegetatie (een plantenrijk op de Aarde) is niet minder overeenstemmend met het Schriftverhaal. Het eerste spoor van landplanten is gevonden op den top der Silurische rotsen, waar de oude-roode-zandsteen onmiddelijk boven op haar rustte. Die planten moeten dus afkomstig zijn uit het einde van het Silurische en het begin van het Devoniaansche of O.R. zandsteen-tijdperk - eerst schraal en laag, maar toenemende straks in getale, gedaante en uitgebreidheid, tot zij eindelijk dien weligen plantengroei vertoonen, waaruit de groote steenkolenstelsels gevormd zijn. Volgends Mozes had er op den derden dag een groote en uitgebreide omwenteling plaats: de eigenlijke Aarde, de aanstaande woning voor lucht-inademende diermenigten tot op den Mensch, begon te ontstaan te midden der vroegere waterwaereld. Maar uit de Geologie leeren we - wat geen deel van Mozes' verhaal behoefde uit te maken - dat toen tevens een belangrijk toevoegsel gegeven werd aan het dierenrijk, door de schepping van de eerste soorten van gewervelde dieren, met name de visschen. Tot hiertoe was het ongewervelde schaaldier, een schepsel zonder beenderen of brein, het hoogste in de klasse der levende wezens, het meesterstuk der schepping en de alleenheerscher der waereld geweest. Thands, bij het ontstaan van het drooge en ons plantenrijk, verschijnen ook de visschen voor 't allereerst en nemen een hoogen rang in, om, op hunne beurt, gedurende vele eeuwen de opperheerschappij te voeren. Intusschen wordt de Aarde bekleed met die uitgestrekte en reusachtige wouden, die het tijdperk der steenkoolformatie kenmerkt, wier Geologische verschijnselen het Mozaïesch verhaal bekrachtigen. Is dat verhaal juist, dan moeten de door God verwekte planten en kruiden zich bevonden hebben in 't midden van al wat de versterking en voeding kon bevorderen van een overvloedige en te gelijk weeke en saprijke vegetatie. Dan moeten schaduw, hette en vochtigheid, alom haar omringende, dien groei onafgebroken hebben bevorderd: schaduw - door de wateren of wolken boven het uitspansel; hette en vochtigheid - omdat de uitwaasseming noodig was voor het aanvullen en onderhouden der wolken. M'Causland, in zijne Sermons in stone, maakt de volgende belangrijke opmerkingen, die hier wel niet misplaats zullen zijn: ‘De wetenschap van den zonnestraal, dat ontastbaarste en vluchtigste van alle geschapen wezens, helpt ons ter handhaving van het Mozaïesch getuigenis, evenzeer als de kennis der gesteenten, die meest vaste en meest veranderlijke der aardsche voorwerpen. ’In elken zonnestraal, die de Aarde bereikt, is een vereeniging van drie onderscheidene beginsels, t.w. licht, warmte en aktinismeVan ἀϰτιν, straal.. Licht, het lichtend beginsel, veroorzaakt de verschillende kleuren en tinten; warmte, het verwarmend beginsel, regelt de temperatuur en verwekt de beweging; a ktinisme, is een chemiesch beginsel, dat het leven in de plant verhaast en er verschillende veranderingen te weeg brengt. Deze drie beginsels, schoon in eiken straal vereenigd, zijn nochtans scheidbaar, en, zijn zij gescheiden, dan hangt de invloed van den zonnestraal op aardsche substantiën geheel af van de evenredigheid, waarin die drie beginselen in den straal tot elkander staan. Zóó, b.v. leert de ervaring, dat de ontkieming van zaden en de groei van planten sneller en rijker is onder den invloed van het warmte- en aktiniesch beginsel, wanneer het van 't lichtbeginsel gescheiden is, dan onder den invloed van alle vereenigd. Opmerkelijk is het, intusschen, dat bij zoodanigen snellen en weligen groei de plant, in plaats van te verharden, week en sappig blijft. Het is bepaald de onbewolkte lucht en de zonne-straal, die de vezelen der plant stevigt en haar tot een harde, houten zelfstandigheid vormt. Een blik op de ranke, weeke planten, die onder den lommer onzer boomen zijn opgeschoten, en op de stevige en krachtige, schoon minder hoog en trager opgegroeide planten die 't volle zonlicht genieten - kan er ons van overtuigen. Zóóveel is zeker, dat de onbewolkte zonnestralen volstrekt noodig zijn tot het voortbrengen van een hard, houten weefsel. Elke boom, dwars doorgezaagd, vertoont een reeks van evenmiddelpuntige ringen van verschillende dikte: deze ringen zijn één voor één, jaarlijks, ontstaan onder den invloed van de zomerzonnestralen. Hieruit volgt, dat, waar geen zonneschijn is, en dus geen hard hout gevonden wordt, ook die zoogenaamde jaarringen (of zomerringen) niet gevonden worden. En verder, dat, waar die jaarringen wèl gevonden worden, wij zeker kunnen zijn, dat de direkte zonnestraal de plant heeft bereikt, en dat zomer en winter er elkander afgewisseld hebben, gedurende het tijdperk van haren groei. Uit deze opmerkingen nu, ontleenen wij het volgende: Vooreerst: dat tot de omstandigheden die meest geschikt zijn om een plantengroei snel en overvloedig te maken allereerst behoort een buitensluiting van de direkte zonnestralen bij de aanwezigheid van hette en vochtigheid; maar dat de planten, onder zulke omstandigheden verwekt, week en sappig zijn en geen spoor van jaarof zomerringen vertoonen. En ten tweeden: dat zulke omstandigheden hoogst ongunstig zijn voor het bestaan van lucht-inademende dieren, omdat de planten dan veel minder koolstofzuur-gaz inademen, en daaruit dus minder zuurstof (oxygeen) afscheiden, welk laatste juist het Dierlijk Leven moet voeden en onderhouden. Hieruit volgt, dat, indien in eenig oord en gedurende zekeren tijd de plantengroei welig en overvloedig is en week en saprijk van natuur, wij zeker zijn, dat de direkte zonnestraal in dat oord een vreemdeling is geweest gedurende den groei van zulk een plantenrijk. En omgekeerd, dat, bijaldien in hetzelfde oord, gedurende een volgend tijdperk het plantenrijk hard en houtachtig geworden is en inwendig de besproken zomerringen vertoont, wij zeker kunnen zijn, dat dáár.de zon dien tijd ònonderschept heeft geschenen, en zomerhette en winterkoû er elkander hebben afgewisseld. ‘Welnu, aan het eerste beeld beandwoordt het welige plantenrijk van dezen derden scheppingsdag volkomen, zooals ons uit de steenkoolformatie blijkt, die uit die plantenstof geformeerd is; terwijl het opmerkelijk is, dat de zooeven genoemde jaar- of zomerringen, het produkt van den zonnestraal op de boomen, nimmer gevonden zijn in eenige fossile overblijfselen van de steenkoolof ouden-rooden-zandsteengroep, maar wel in de volgende latere stelsels.’
Bladzijde 56, regel 20. ‘Uit de diepten klimmen.... riffen op.’
‘Behalven door bezinking van het rotsgruis is er nog een an-dere wijze, waarop de zeebodem kan worden opgehoogd... Op groote schaal geschieden de vormingen van lagen in de zeën tusschen de keerkringen, vooral door de, wel is waar langzame, maar steeds voortgaande werkzaamheid van millioenen en millioenen koraaldieren, die den koolzuren kalk, welke in het zeewater opgelost is, opnemen en weder als een vaste stof aan hunne lichaamsoppervlakte en te midden hunner weefsels afscheiden, Riffen van aanzienlijke uitgebreidheid, die de kusten van vele landen omzoomen, duizende eilanden in de Stille Zuidzee, meestal van een ringvormige gedaante, en atollen geheeten, zijn door die koraaldieren opgebouwd.’ - Prof. P. Harting, de Voorwaereldlijke Schepping.
Bladzijde 59, regel 1. ‘Duizend draden Doorslingren reeds den grond.’
‘De naar touw zweemende plant chorda filum, die voor onbedachtzame zwemmers wel eens zeer noodlottige gevolgen heeft, wanneer zij zich met de voeten in hare taaie strikken verwarren, wordt in de Neder-Silurische formatie door een plant vertegenwoordigd, die bij den palaeontoloog onder den naam van palaeochorda, of oude koord, bekend is en waarschijnlijk in twee soorten voorkomt, eene breede en eene smalle.’ - Hugh Miller, Getuigenis der Gesteenten.
Bladzijde 59, regel 5. ‘Wat volle plantengroei.’
De Geologie leert ons, elke steenkoollaag, die aan het licht is gebracht, bevestigt het ons, dat een plantenrijk, gants afwijkend van dat van alle tropische gewesten, de geheele Aarde bedekte. Te rekenen naar de uitgestrektheid en dikte der steenkoollagen, moeten bosch voor bosch, in talloze opvolging, volgroeid en gerijpt zijn, om daarna in de diepte neder te zinken.
Bladzijde 60, regel 20. ‘Vijfmaalhonderd plantgeslachten, Varens half en varensoorten.’
Het aantal planten van de koolformatie, dat wij tot dus verre kennen, zegt Ad. Brogniart, bedraagt omstreeks 500, en van deze waren er 250, en dus de helft, varens. - ‘Elk kent de varenkruiden, met hunne groote, regelmatig gevederde bladeren, die in de schaduw onzer bosschen, niet zelden zelfs in de holten en scheuren der boomen, zich welig ontwikkelen. Maar nietig en klein zijn deze, in vergelijking van hunne zusters, die in den warmen, vochtigen dampkring der keerkringsgewesten groeien en dáár tot boomen van 30 à 60 voeten hoogte worden, wier top een scherm van zich bevallig nederwaarts buigende bladeren draagt. Op den eersten blik zou men ze voor palmen aanzien, maar een nader onderzoek overtuigt ons weldra van het groote verschil tusschen beide. Aan de oppervlakte des stams zien wij de groote, eironde likteekens der afgevallen bladsteelen, die volgends een regelmatige spiraalrichting den stam omgeven. Die stam verschilt in maaksel geheel van alle andere stammen. Ook de bladeren onderscheiden zich in zoovele opzichten van de bladeren van andere planten, dat velen van meening zijn, dat zij veeleer als een soort van takken moeten beschouwd worden. Men gevoelt dadelijk, van welk gewicht deze kenmerken zijn voor het bepalen der fossile varens, waarvan dikwerf niets anders is overgebleven dan de indrukselen der bladeren in de eertijds weeke maar nu verharde klei.’ - Prof. Harting.
Bladzijde 67, regel 2. ‘De kegeldragers.’
Koniferen of gymnogenen, kegeldragende boomen, vaak honderd voet hoog, zijn de hoogste van allen.
Aldaar, regel 7. ‘De ondergrondsche stengels.’
Stigmaria, aldus genoemd naar de stigmata of indruksels, die zij dragen.
Bladzijde 68, regel 11. ‘De rijke zegelboomen.’
Sigillaria, dus geheeten, omdat, waar aan het laagste gedeelte van den stam de bladeren afgevallen zijn, zij op geregelde afstanden langs de ribben sporen hebben nagelaten, die ingedrukte zegels gelijken.
Aldaar, regel 19. ‘ Hylodendrons.’
De hylodendron's onderscheiden zich door hunne rechtlijnige rijen van ronde likteekens. Hunne stammen zijn bedekt met op lofwerk gelijkende insnijdingen of graveersels; en zij kunnen inderdaad wedijveren met het sierlijk snijwerk eener Korinthische zuil. Vooral munten hierin uit de favularia en al de lepidodendron's.
Bladzijde 70, regel 18. ‘Een schorpioen vliegt, haastig tusschen 't riet.’
‘De insekten komen het allereerste voor in de ruwe, dorre, bloemloze vegetatie der koollagen, en dan nog wel in geslachten geheel met den aart dier formatie strookende. Onder deze insekten bekleeden een voorname plaats de schorpioenen, vleeschetende, in een zeer kwaad gerucht staande, spinachtige dieren, die onder steenen en omgevallen boomtronken leven, met hunne scharen de schepselen aangrijpen waarop zij azen, en die meestal tot de crustaceën of tot de insekten behooren. Gelijktijdig met deze schorpioenen treffen wij kakkerlakken aan; ook sprinkhanen en torren, motten, enz. Maar dit alles bij elkaâr genomen, beteekent nog zeer weinig: immers de insekten hebben, naar het voorkomt, in het koolsysteem slechts een hoogst ondergeschikte plaats bekleed. - - Al de reptilen, die tot hiertoe in de steenkoollagen gevonden zijn, behooren tot de orde der batrachii of kikvors chachtige dieren.’ - Hugh Miller. ‘Staat het vast, dat in die vroege tijden de koolstof, vooral uit den kalksteen opwaassemend, de atmosfeer moet vervuld hebben op een wijze als vijandelijk zou geweest zijn voor alle luchtinademend Dierlijk Leven; welnu, de Geologie leert ons, dat, met uitzondering van eenige weinige batrachii of kikvorschachtige dieren, en eenige insekten van lager rang, geen aarddier vóór het Permische tijdvak gevonden is. De batrachii zijn half vischachtig en vormen de schakel tusschen visch en hagedis of het eigenlijk reptiel; en daar men hen nog vaak levend aantreft in van lucht afgesloten steen- of kleilagen, schijnt hun bestaan onafhankelijk te zijn van den staat der atmosfeer. Hunne aan wezigheid, gepaard aan die van enkele schorpioenen en kevers, bevestigt het feit dat die lucht ongeschikt was voor dierlijke ademhaling. Zulk een staat van de atmosfeer kon alleen weggenomen worden door de toeneming van het lichtend beginsel, door middel van 't welk de ontwikkeling van het koolstofzuurgaz verhaast en de zuurstof (oxygeen) uitgezonden zou worden, tot voeding van het Dierlijk Leven. Daarom, de verschijning van lucht-inademend gedierte in het systeem dat onmiddelijk op het groote plantentijdperk volgt, bewijst dat eerst toen de schaduw moet zijn weggenomen, door de verstrooiing der omcingelende wolken en de zuivering van de atmosfeer door den invloed der zonnestralen.’ - M'Causland.
Bladzijde 73, regel 3. Wordt bewaakt, bewerkt, herschapen, ‘Tot een wondersteen gehard.’
‘In den loop der geslachten en eeuwkringen - in dien rijkdom en die beschikking van den tijd, door Hem vastgesteld, in Wiens oogen één dag als duizend jaren is en duizend jaren als één dag zijn, enkele zandkorrels die door het glas loopen, dat de taak van een eindelozen arbeid regelt - vervulden de lichamen van alle levende wezens, hetzij plantaardige of dierlijke, hunne bestemming door het ondergaan eener trapsgewijze verandering, welke hen hervormde in lichamen en dingen van een aan hun oorspronkelijk wezen geheel tegenovergestelden aart. Een oorspronkelijk wezen, in den eigenlijken zin des woords, bestaat er niet; maar wij moeten datgene oorspronkelijk noemen, waartoe iets anders als tot zijnen oorsprong teruggebracht wordt en waarbij wij genoodzaakt zijn te blijven stilstaan, niet dewijl dáár het einde is, maar omdat wij niet verder kunnen gaan. Evenwel, tot aan het tijdperk vóór den Zondvloed, en gedurende een groot gedeelte van dat tijdperk, bewegen wij ons in het duistere maar toch nog duidelijk herkenbare gebied en op het spoor van handtastelijke feiten en wetenschappelijke kennis.’ - Household Words, 1851.
Cookies on Poetry Cove