Vijfde tafereel. Hebben wij het Mozaïesch vizioen tot hiertoe recht begrepen, dan is op den eersten dag, als ‘de Geest Gods broedde op de wateren’, begonnen, en op den derden dag voltooid, de schepping der bij uitsluiting onderzeesche dieren, als daar zijn: plantweek-, schaaldieren en visschen van het Silurische en Devonische tijdperk. Het ontstaan dezer schepselsoorten over te brengen in het scheppingswerk van den vijfden dag - gelijk in onze Staten-bijbelvertaling geschiedt - is daarmede kennelijk in tegenspraak. Maar juist die vertaling is, op goede gronden, wel voor eenige verbetering vatbaar. Voor ‘overvloedig voortbrengen’ leze men: ‘doen uitkrielen’; voor het algemeene: ‘een gewemel van levende zielen’, meer bepaald: een gewriemel (zoo als van der Palm heeft) of ‘een gekruip’ (zoo als M'Causland vertaalt) ‘van gedierte dat den adem des levens heeft,’ d.i. van luchtinademend gedierte. De ‘tanninîm’ uit vs. 21, zijn ons geen ‘groote walvisschen’, maar ‘groote zeemonsters of zeegedrochten’, (zoo als het ook reeds bij van der Palm heet); terwijl eindelijk ‘alle gevleugeld gevogelte’ letterlijk luidt: ‘alle vliegend gevleugelte’, dat, als zooveel omvangrijker, hier beter behouden wordt. Na deze, schijnbaar geringe en toch zeer wezendlijke, in de gevolgtrekking gewichtige wijzigingen in de vertaling, leert ons de tekst eenvoudig, dat de schepping van dit tijdperk een drievuldige was; t.w. 1o. der groote zeegedrochten; 2o. der kruipende schepselen, ‘die uit de wateren krielden’, d.i. de waterdieren, maar die tevens voorzien waren met de organen om op het land te kruipen (amfibiën); en 3o. de gevleugelde schepselen, die boven de aarde zweefden. Welnu, wat leert ons daaromtrent het Boek der Natuur? De Geologie leert ons, dat de fossilen uit de Permische (o.a. nieuwe-roode-zandsteen) en de Jura- of Oölieth-groep (meerendeels kalksteen) op Mozes' oirkonde volkomen passen. In de onmiddelijk voorafgaande steenkoolgroep heeft men geen sporen van aarddieren gevonden, met uitzondering van eenige weinige batrachii, kikvorschachtige dieren, en enkele insekten van lager rang, als welke nog vaak levend worden aangetroffen in van lucht afgesloten steen- en kleiklompen, 'tgeen - wij hebben het hier voren reeds opgemerkt - hunne onafhankelijkheid van den toestand der atmosfeer bewijst. Deze batrachii konden dáárom ontstaan vóór het verschijnen der zon, en vormen dan ook slechts den overgang van den visch tot de hagedis, het eigenlijk reptiel. De vroegste fossilen van lucht-inademende dierlijke schepselen (die dus éérst ontstaan kunnen zijn nadat de zonnestralen de Aarde bereikt en de noodige zuurstof ontwikkeld hadden, voor 't Dierlijk Leven noodzakelijk) werden allereerst in den kalksteen der Permische groep gevonden en behooren tot het geslacht der eigenlijke reptilen of kruipende dieren.
Het aantal intusschen is daar nog maar betrekkelijk gering, maar het neemt toe, naarmate wij hooger opklimmen in de volgende en dus jongere steenlagen, bepaaldelijk in de vorengenoemde Jura- of Oölieth-afdeeling. Ja, het neemt er zóó zeer toe, dat de Geologen het tijdperk dezer formatie bij uitnemendheid ‘het tijdperk der reptielen’ geheeten hebben. In die reptielen herkennen wij dan ook werkelijk in de eerste plaats de ‘groote zeemonsters’ (tanninîm) van het Mozaïesch vizioen, met name in die reusachtige enaliosauren, walvischachtige zeehagedissen, tyrannen van den Oceaan, en andere zeekruipdieren van dezelfde klasse, overeenkomstig hun organisme bijzonder geschikt om in het water te leven, maar tegelijk kennelijk lucht-inademende, eierleggende reptielen.
Bladzijde 117, regel 15. ‘Daar trekken legerscharen Van visschen,’ enz.
Bij deze beschrijving der visschen ben ik onder den invloed geweest van eene herinnering uit Milton. Vergelijk in zijn Paradise lost, B. VII, vs. 399 en volgende: ‘Forthwith the sounds and seas, each creek and bay,’ tot: ‘Draws in, and at his trunk spouts ont, a sea.’ Tevens neem ik deze gelegenheid te baat, om de vrees uit te spreken, dat ik maar al te zeer geloof, dat de ‘bij de voor zwoegende ploegos, wien de regen verkwikkende klavergeur toewaassemt’, van bladz. 45, regel 7, mede een remenicens is, ditmaal uit Longfellow, in een zijner kleinere gedichten.
Bladzijde 119, regel 2. ‘Let op! boven de andren braveert er daar één, Verbazend gedrocht, dat het beeld der Chimeeren, De fabel der Heidnen, in 't leven doet treên.’
De plesiosaurus of waterhagedis, misschien het merkwaardigste dier der voorwaereld, van 6 tot 18 voeten lang.
Bladzijde 120, regel 2. ‘Daar schiet uit de zeewoestenij, Even tuk als hij-zelf op verslinden, Reeds een sterker den sterke ter zij'.’
‘De ichthyosaurus of vischhagedis, draagt zijn naam met het volste recht, want op de zonderlingste wijze zijn hier sommige kenmerken, die men gewoonlijk alleen hij visschen aantreft, vereenigd met andere, die aan kruipende dieren eigen zijn; ja, zelfs herinnert hij wederom in andere opzichten aan sommige der in 't water levende zoogdieren, inzonderheid de dolfijnen. Hij heeft een lengte van 22 tot 70 voet, waarvan de kop een vierde gedeelte beslaat.’ - Prof. Harting.
Aldaar, regel 13. ‘Heel het reuzige lijf is omtogen Met het leêr van een schubbigen huid.’
‘Uit eenige waarnemingen van Coles en Quekett schijnt te volgen, dat de huid van den ichthyosaurus niet, zoo als men eerst meende, naakt, maar met uiterst kleine, slechts door het mikroskoop herkenbare hairvormige schubbetjens bedekt zou geweest zijn.’ - Prof. Harting.
Aldaar, regel 18. ‘Door hun beenachtig oogvlies beschermd.’
‘In het harde oogvlies (sclerotica) van dit dier bevonden zich zeventien straalswijze rondom de pupil geplaatste beenplaten, waardoor het oog beschut werd en zelfs in den fossilen toestand nog dikwijls zijn welving bewaard heeft.’ - Prof. Harting.
Bladzijde 122, regel 7. ‘'t Krokodillen-lichaam rekkend, Vijftig voeten gronds bedekkend.’
Hier wordt bedoeld de megalosaurus, eeu vleeschetend reptiel, 7 à 8 voet hoog, 40 à 50 voet lang, in bouw en gewoonten niet ongelijk aan den krokodil en den monitor onzer dagen. De vorm van zijn beenen en poten verraden het landdier, maar dat tevens in het element des waters te huis is.
Aldaar, regel 9. ‘Andren, aan nog grover leden Paren vriendelijker zeden.’
Te weten de iguanodon, tijdgenoot van den voorgaanden megalosaurus, wien hij in reusachtige gedaante nog overtreft, want hij bereikt een lengte van 60 à 70 voet, evenaart den grootsten olifant in hoogte en overtreft hem in lengte en zwaarte. Maar naar zijn gebit te oordeelen, moet hij een grasvretend dier zijn geweest, en zoo was hij, bij gedrochtelijker vorm, toch zachter van zeden dan zijn vleeschverslindende makker. Prof. Harting noemt den iguanodon zeer eigenaardig: ‘een rhinoceros in 't masker van een hagedis.’
Bekend is het gevoelen van Johann Friedrich von Meyer, den auteur der ‘Bibeldeutungen’. Hij is van meening, dat God van den beginne geen slangen of gewormte geschapen heeft, maar dat de geheele worm- en insekten-waereld een gevolg van den zondeval is, dat eenmaal met den vloek wederom zal ophouden. Hij ziet in onze slang slechts de omwikkeling of verbastering (larve) van een voormalig, edel en naar den mensch gelijkend dier, waarmeê de moeder onzes geslachts zich onderhouden, en dat dus gesproken zal hebben. Men kent ook Bilderdijks voorstelling (in: ‘De Dieren’) die van de Paradijs-slang een gevallen Engel maakt, en - naar de dichterlijke voorstelling uit Ezechiël XXYIII - haar dus aanspreekt:
‘Gy zijt het, Nachas! Gy, bevallig voor't gezicht, En glinstrend in een dosch van goudglans en saffieren, En groenende esmerald - de listigste aller dieren, Wiens tong 't geschubde lijf in gladheid overtreft, Die de uitgerekte hals ten hoogen hemel heft, Op taaie vlerkjens wiegt, en, 't aardrijks langs gegleden, Geen voetspoor laat in 't zand, geen indruk van uw leden. Gy Engel, fierst van aart, by 't neêrgebukt geslacht, Die, in uw kerker zelfs, op nieuw naar grootheid smacht; Met weêrzin de aard beschouwt, en, met het hoofd verheven, Den mensch en d' Englenstoet in houding na durft streven! U, Adams gunstling, die uw schranderheid waardeert, U knaagt de nijd aan 't hart!....’
Maar het moet gezegd worden, de Geologie levert geen bewijs noch voor de niet-oorspronkelijke schepping der slang, noch voor het bestaan van het Bilderdijksche wezen, den met de gave der taal begiftigden bijna-mensch, bijna-engel, die, in het menschelijk tijdperk, vleugels en voeten verloor en slang werd!.. De Geologie heeft inderdaad fossilen van slangen gevonden. Hugh Miller in zijne: Getuigenis zegt: ‘De vroegste overblijfselen der Ofidische of slangenfamiliën worden in dat oude nederzetsel der tertiaire Afdeeling aangetroffen, waaraan men den naam van Londensche klei gegeven heeft, en moeten hebben behoord aan een slangensoort, van welke sommige met de pythons, anderen met de zeeslangen verwant waren, welke laatste een lengte van 14 à 20 voeten moeten gehad hebben.’ Het is niet te ontkennen, er is iets vreemds, iets raadselachtigs in de slang; en daarom kunnen wij het dan ook begrijpen, dat juist zij in elk stelsel van mythologie telkens het eigenaardige zinnebeeld is van het verpersoonlijkte Zedelijk Kwaad. - Genoemde schrijver, t.a.p. schrijft: ‘De Fenicische reuzenslang, die de menschen beoorloogt; de monsterslang, die de moeder van Apollo aanviel, maar later door dezen werd gedood; de groote slang, die de appelen in den tuin der Hesperiden bewaakte en door Herkules eens moest worden verslagen; de slang of draak, die de wacht hield over het gulden vlies dat Jazon moest veroveren: deze alle zijn kennelijk door de hand der overlevering aan den Bijbel ontleend, en verwant aan de Paradijsslang uit Genesis, den ouden draak der Apokalypse. De slang, dat huiveringwekkend schepsel, het laatst in de schepping optredend reptiel, is voor den wijsgeerigen Natuurkenner de vertegenwoordiger van een omgekeerd proces in de bezielde natuur, van een getaanden luister, van een teruggang van het gewervelde karakter van den voortijd tot de zooveel lagere typen der òngewervelde afdeelingen.’
Bladzijde 126, regel 9. ‘Maar dàt is geen vogel, al klieft hij de ruimte.’
De pterosaurus of vlerkhagedis, ook pterodactylus of vleugelvinger genoemd, een vleermuisachtige amfibie, heeft inderdaad een vlucht van 27 voet. De lammengier der Alpen spreidt slechts een vlucht van 10 à 11 voet; de groote kondor der Andes - de reus der thands vliegende vogels - heeft er eene van nog geen 12 voet. - Men kent reeds meer dan twintig soorten van pterodactylen, zeer verschillend in grootte.
Bladzijde 129, regel 3. ‘Daar stappen ze op de hooge steltenpoten.’
In den nieuwen-rooden-zandsteen vinden wij de eerste sporen van vogelen, in de voetstappen die zij ingedrukt hebben in het weeke slib en zand, waarover zij wandelden. Sommige van die voetsporen duiden reusachtige vogels aan, die zich voor hunne tijdgenooten, de gedrochtelijke hagedissen, niet behoefden te schamen. In een bedding van den ouden-rooden-zandsteen van de Vereenigde Staten (in eene der valleien van den staat Connecticut) uit het tijdperk van de onderste of zwarte Jura- (ook Lias-) formatie, heeft men in de kalk sporen ontdekt van vogels behoorende tot de orde der grallae of hoogpotige steltloopers: een orde, waartoe ook behooren de kranen, reigers en trapganzen, even als de struisvogels en kazuarissen, en tot wier kenteeken behoort dat zij slechts drie teenen aan elken voet hebben. ‘De verbazende grootte van sommige dezer afdruksels deed eerst betwijfelen, of zij wel van vogels afkomstig waren. De middelmatigsten overtroffen verre den omvang der sporen van de kolossaalste onzer vogels; terwijl de grootsten die der zwaarste viervoetige dieren evenaren. Daar zijn er onder, die van den hiel tot aan het uiteinde van den middenklaauw 18 duim lang en van den buitensten tot den middelsten teen 13 duim breed zijn. Ja, de afstand dier sporen van elkaâr in een rechte lijn, toont dat het schepsel, dat ze in dit oude versteende zand heeft afgedrukt, schreden van ongeveer zes voet moet hebben gemaakt. De dinornis giganteus moet veel grooter zijn geweest dan 't grootste paard. Sommigen van dat geslacht moeten dieren geweest zijn van 10 of 12 voet, en dus zoo groot als de grootste Afrikaansche olifant.’ - Hugh Miller.
Bladzijde 135, regel 17. ‘Waar eens de hooge Dinornis ging.’
Het grootste onder de reusachtige vogels uit het tweede tijdperk was de reeds genoemde dinornis giganteus, die minstens tien voeten hoog moet geweest zijn, en vermoedelijk, even als de overigen, tot de orde der steltloopers behoord heeft. Zie Prof. Harting, 1. 1. bl. 348. Prof. J. van den Hoeven, Album der Natuur, 1853, bladz. 1.
Aldaar, regel 20. ‘De vogelvlieg.’
De kolobri.
Bladzijde 136, regel 15. ‘Des Vijfden Dags.’
Opmerkelijk! zoowel die Saurische reptielen der drievoudige hagediswaereld, als die vogelgeslachten, die tegelijk met hen het tooneel der schepping betreden, zijn alle eierleggende dieren, want het zoogdier, een hoogere orde, bestaat nog niet. Eeuwen lang nog zullen dit de beheerschers zijn van aarde, lucht, water. Maar voor die Aarde is een nieuwe bevolking in aantocht, want het vijfde tijdperk spoedt ten einde. Dit tijdperk heeft zich uitgestrekt van het begin der Permische tot het einde der Jura- of Oölieth-groep, den aanvang der kalkformatie. In die kalk vinden wij reeds hier en daar sporen van den voorlooper van het zoogdier op het drooge, het marsupiat of buideldier, de schakel tusschen het reptiel en het zoogdier, profeet van bet nieuwe scheppingstijdperk, dat aanstaande is.
Cookies on Poetry Cove