Tweede tafereel.
Bladzijde 30, regel 5. De waatren scheiden ‘Van waatren! Daar verrijze een ruimte tusschen beiden!’
De gloeiende aardbol was, bij 't begin van dit Dagwerk, nog altijd bedekt met water, kokend en waassemend door de middenpunthette. Die waassem, na tot zekere hoogte te zijn opgestegen, was afgekoeld in die hoogte, gekondenzeerd tot wolken; om straks, door de aantrekkingskracht der aarde weêr naar beneden gehaald, neder te dalen op dezelfde wateren, waaruit hij was voortgekomen. De Schepper nu, een dampkring formeerende, trok die waterdampen in wolkmassaas op, die straks, uit de hoogte, van tijd tot tijd hun inhoud in de wateren daaronder zouden uitplengen, in laauwe plaschregens zich ontlastende. Zulk een wolkentent stoot natuurlijk de zonnestralen af van de Aarde, en maakte hare oppervlakte tot ééne, groote, vochtige trekkas, uitnemend geschikt tot het voortbrengen van een uitgestrekt, welig plantenrijk. De atmosfeer of het firmament bevatte' ongetwijfeld een veel grooter hoeveelheid koolstof dan de lucht van later tijd; maar zij was doordringbaar genoeg voor de doorlating van het licht, en elastiek genoeg om de wolken op te houden. Zietdaar wat het Boek der Natuur ons leert, in volkomen overeenstemming met Mozes' beschrijving van de scheiding tusschen wateren onder en wateren boven het uitspansel. Volgends de Schrift zijn wij nu genaderd tot het einde van den tweeden scheppingsdag; volgens de Geologie tot aan het einde van het Silurische tijdperk.
Bladzijde 31, regel 12. 't ‘Allerhoogst - in kleine vlokken, enz.’
De cirrhus, of vederwolk.
Aldaar, regel 15. ‘Uitgewolde vacht.’
Een drukfout. Lees: witgewolde vacht.
Bladzijde 32, regel 1. ‘Lager weêr - in dunne streepen, enz.’
De stratus, of laagwolk.
Aldaar, regel 9. ‘Eindlijk - in gevaarten, enz.’
De cumulus, of stapelwolk.
Bladzijde 42, regel 13. ‘Zoo klaar, of ge uw licht aan u-zelf hebt ontleend.’
‘De verblindende witheid der sneeuw is vaak zoo sterk, dat zij zelflichtend schijnt. Toch is het slechts teruggekaatst licht. Een volstrekte duisternis, een volkomen afwezigheid van licht, is er op Aarde niet. Zelf diepe kelders en nog diepere mijnen zijn niet geheel zonder licht. Er zijn dieren, die daar kunnen zien, en zelfs de mensch kan, door lange gewoonte, zijn oog voor zulke zwakke indrukken gevoelig maken, dat hij in den donkersten kelder leert lezen: ervaringen, die de bastille opgeleverd heeft.’ - Zimmerman, De Aardbol en zijn natuurwonderen.
Cookies on Poetry Cove