Zesde tafereel.
Bladzijde 149, regel 11. ‘Nu ook beginnen in den hoogen De gletschers langzaam hun beweging.’
Zie Prof. Harting, 1. 1. bladz. 212.
Aldaar, regel 20. ‘Als zijn komst de ontzachelijke rij Der wezens sluiten zal en kroonen.’
‘Wat vinden wij gedurende de dnizende eeuwen der eerste scheppingsperioden? Niets dan onbewuste plantengroei en de blinde begeerlijkheid van het dier. Niets dan fyzieke geboorte, leven en dood. Geen enkel schepsel, dat zich rekenschap geeft van het doel van zijn bestaan. Elk individu is niets dan het vehikel van de soort; elke soort niets dan een schakel in de oneindige keten die zich ontrolt, die met het eerste plantdier begint om te eindigen met den Mensch. 't Is de ontwikkeling van het Lichamelijk Leven in al zijn vormen. En toch beheerscht reeds van 't begin af aan een Hooger Wet dezen onmetelijken arbeid. Daar is een vooruitgang merkbaar in de opëenvolging van die vormen van Dierlijk Leven. Zij naderen meer en meer tot het tegenwoordige Dierlijk Leven en nemen, om zoo te zeggen, meer en meer een menschelijk karakter aan. Dit groote Poëem volgt dus een plan en de hoofdgedachte die het bezielt, is de nadering tot den Mensch, de Vrije Persoonlijkheid.’ - F. Godet, in de Revue Chrét. IX, 15 Oct. 1862, No 10.
Bladzijde 150, regel 15. ‘De bodem wemelt, en het Zoogdier is geboren.’
De schepselen, die Mozes aanschouwt als de gewrochten van den zesden dag zijn: de dieren van het woud, het vee der heuvelen, het kruipend gedierte van den aarbodem; alle van het geslacht der zoogdieren en als zoodanig onderscheiden van de eerste, eierleggende leden van het dierenrijk. Alzoo wordt hier het feit verkondigd, dat de viervoetige dieren het aanzijn hebben ontfangen nà het tijdperk der eierleggende reptilen. Welnu, wat zegt hiervan de Geologie? Het volgende. 't Zij wij aannemen, dat de schepping der zoogdieren begonnen is met de verschijning van het half-reptiel, het marsupiat of buideldier, aan het einde van de Oölieth- (meerendeels kalksteen-) formatie, of wel dat wij aannemen, dat zij begon met de pachydermata (dikhuidige dieren) van de Eöceensche groep, zóóveel is zeker dat het tijdperk der zoogdieren gevolgd is op dat van de eierleggende hagedis-reptielrassen, zoodat het Schriftverhaal bevestigd wordt. Gedurende een lange reeks van eeuwen, vertegenwoordigd door de formatie van de tertiaire nederzetsels (steenlagen van het zoogenaamde derde Geologische tijdperk) had het viervoetig zoogdier de opperheerschappij in de schepping. Het Eöceensche tijdperk (dat overigens dieren omvat van de grootte van een kloek paard tot die van een haas) was in 't bijzonder de bloeitijd der reuzen. - Onder deze valt onze aandacht terstond op het palaeontherion, een vreemde diersoort van de dikhuidige orde, tot welke de olifanten, tapirs, zwijnen en paarden behooren. In het midden of Mioceensch tertiaire tijdperk bestaat het aanzienlijkste der toen levende diersoorten nog uit dergelijke pachydermen.
Bladzijde 150, regel 14. ‘Daar schudt reeds het schrikdier d' onzachlijken kop.’
Het schrikdier, dinotherion, is een der grootste viervoetigen die ooit bestonden, en maakt de schakel uit tusschen de pachydermen (of dikhuiden) en de cetaceën (of walvischachtige dieren). Elke tak der onderkaak, bij de zwaarste soorten ruim vier voet lang, heeft een grooten, naar beneden omgebogen slagtand, om er de waterplanten en de wortels van leliebollen (zijn waarschijnlijk voedsel) meê op te wroeten. De kop, drie voet breed, is voorzien met spieren van onbegrijpelijke sterkte en taaiheid en ingericht om den bewegingen en verrichtingen van dien kop de krachtigste werking bij te zetten. De achterzijde van het bekkeneel heeft veel overeenkomst met die van het bekkeneel van den walvisch. Uit de vooruitstekende beenderen der neusstreek heeft men willen afleiden, dat dit dier een snuit heeft bezeten, wat echter verre van zeker is.
Bladzijde 151, regel 7. ‘Daar neigt reeds de Koning der luiaards den snoet.’
Het megatherion, een soort van luiaard, met geweldige viertakkige klauwen.
Bladzijde 151, regel 13. ‘Het mastodon volgt hem.’
Het mastodon, weder een diersoort tot de familie der olifanten behoorende, gelijk deze van slagtanden en tromp voorzien, tijdgenoot van het dynotherion. Niet hooger, maar aanmerkelijk langer dan de Afrikaansche olifant, geen twaalf voet hoog, maar vijf en twintig voet lang. Hij heeft wat den olifant ontbreekt: slagtanden in de onderste kaak, die de mannetjens levenslang behielden maar de wijfjens vroeg verloren. De ledematen in evenredigheid korter maar zwaarder; de buik langer en smaller dan bij den gewonen olifant; de maaltanden (sommigen van 17 tot 20 pond gewicht!) hebben kroonen, die van knobbels voorzien zijn als groote tepels, waaraan het dier zijn naam ontleent; terwijl de maaltanden in grootte en omtrek aanmerkelijk van die des olifants verschillen. Dit en al die andere reusachtige exemplaren der zoogdieren, intusschen, sterven langzamerhand uit. Weldra moet er een ander schepsel ontstaan, naar zijne fyzische organizatie behoorende tot hunne klassen, maar van oneindig hooger rang: een redelijk zedelijk schepsel, tot hiertoe onbekend, hun aller voorbestemde koning.
Bladzijde 153, regel 6. ‘Zaagt gij ooit in 't beeldenschrift Van de Memphische obelisken zulk een optocht neêrgegrift?’
Vergelijk Hugh Miller, Getuigenis der Gesteenten, bladz. 87, waar uit deze opmerking ontleend is.
Bladzijde 159, regel 1. ‘De waatren overdekken Nog eens den bodem van het waereldrond.’
De zoogenaamde diluviale vloed, niet te verwarren met den lateren zondvloed, ten tijde van Noach, die in elk geval ook niet zoo groot was als de diluviale.
Aldaar, regel 9. ‘Dáár rijst, als een bolwerk der aard, Een Driehoek, een Hoogland.’
‘De oudste heilige overlevering, in overeenstemming met een grondige beschouwing van de tegenwoordige oppervlakte der Aarde, maakt het - gelijk ook von Raumer reeds heeft aangetoond -zoo goed als zeker, dat de eerste woonplaats van ons geslacht in de streken van het Armeniesch Hoogland gezocht moet worden.’ - Von Schubert, Die Geschichte der Natur. ‘Armenië is een van de hoogste landen der Aarde. Van alle zijden bereikt men het sterk klimmende; en de wijduitgestrekte, grazige, koele vlakten boven in het land, liggen omtrent 7000 voeten boven de oppervlakte der zee. Zoo verheft het zich als een hoog bolwerk der aarde, in de gedaante van een wijduitgestrekt driekant, boven de Kaspische en Zwarte Zee, boven Klein-Azië en de lager gelegen landen van Voor-Azië. Aan den voet van zijne noordelijke hellingen stroomt de Fazis naar de Zwarte, en de Kurstroom naar de Kaspische zee, de oudste, de kortste en beste handelsweg tusschen Europa en de binnenlanden van Azië; en zuidwaards voeren zijne beide groote tweelingsstroomen, de Eufraat en de Tigris, naar de warme, vruchtbare landen, welke de gemakkelijkste verbindtenis tusschen Europa en het rijke Indië hebben, waar de eerste Rijken, de schouwplaatsen der vroegste, in hare gevolgen zoo belangrijke waereldgebeurtenissen, geweest zijn.’ - Andreas Bram, Blicke in die Weltgeschichte und ihren Plan.
Bladzijde 162, regel 10. ‘O Erzerums Beemde, 't is hier, in ùw schoot,’
‘Om het Paradijs niet te ver van de bronnen der vier rivieren Eufraat, Tiger, Fazis en Araxes te plaatsen, moet men het stellen in de schoone vallei van Erzerum, welke van alle soorten van schoone vruchten overvloeit.’ - De Tournefort, Beschrijving van een Reis naar de Levant.
Bladzijde 163, regel 3. ‘Daar verschijnt de Mensch.’
‘Welk een keerpunt in de scheppingsgeschiedenis! God spreekt niet meer tot water of aarde of eenig voorwerp buiten zich, dat zij het schepsel middelijk voortbrengen naar Zijn raad en bevel, gelijk bij de eerste wording van visschen en vogelen, gelijk bij de schepping van de redeloze dieren der Aarde. Bij het scheppen van den Mensch gaat alles geheel onmiddelijk van God uit. Geen ander schepsel ontfangt last hem voort te brengen.’ - Da Costa. ‘Tot hiertoe had God alles voortgebracht bevelende: “Daar zij licht! daar zij een uitspansel!” enz. Maar waar het de schepping van den Mensch geldt, daar is het: “Laat ons menschen maken naar onzen beelde, onze gelijkenisse!” 't Is niet maar dat woord van oppergebied en macht: 't is een woord van meer zachtheid, ofschoon van geen minder vermogen. God houdt raadt met zich-zelven, God wekt zich-zelven op, als 't ware om te doen opmerken, dat het werk, dat Hij nù aanvangt, al Zijne vorige werken overtreft.’ - Bossuet.
‘De Mensch verschijnt, en deze verschijning is de inwijding van de tweede periode van de geschiedenis des Levens. Daar staat de Mensch! Aan den eenen kant is hij de vrucht van het lange scheppingswerk in al zijne ontwikkelings-fazen (een lange barensnood!) Naar zijn lichamelijk organisme behoort hij tot het Dierlijk Leven: hij is het meesterstuk der fyzieke schepping. Zijn alle evenredigheden van het menschelijk lichaam niet volmaakt? En beandwoordt de schoonheid der vormen niet aan de verwondelijke geschiktheid der organen? Zou niet elke Dierlijke verschijning nà den Mensch een achteruitgang zijn geweest? - Maar als de Mensch aldus, aan den eenen kant, eene Levens-periode sluit, hij opent ook eene nieuwe. In dit volmaakte lichaamlijke organisme woont niet slechts een instinkt als in het dier, niet slechts een ziel, maar een geest. “God blies een adem des levens in zijne neusgaten,” d.i. onze geest is een ademtocht der Godheid.’ - Godet. ‘Ziedaar dan reeds het Godlijke Menschlijk geworden! De Mensch is de hoogste uitdrukking Gods in de natuurlijke waereld; en deze gemeenschap van het Godlijke en Menschlijke is de grondwet van Gods bedeelingen aan de Aarde en de hoofdsleutel tot hare kennis. Immers, wat de natuur betreft, gelijk de Mensch het beeld is van Gods beeld, zoo zijn alle Gods werken ook teekenen en uitdrukkingen Zijner eigenschappen, en zoo is de geheele Lichamelijke natuur een uitdrukking, een gelijkenis der Geestelijke waereld.’ - Hamann.
Bladzijde 169, regel 3. ‘o Mozes! waarom straks - Gezocht naar 't Ideaal der Tabernakel Gods, Onduidlijk scheemrende aan de graauwe wolkenboogen?’
Zie Exod. XXV : 40, Hebr. VIII : 5.
Bladzijde 176, regel 19. ‘De heemlen stralen, maar de starren missen oogen.’
Vergelijk Laurent, Christl. Predigten, 1860, II Th. S. 6.
Bladzijde 177, regel 11. ‘Zijt vruchtbaar, breid u uit.’
In het Bijbelsch verhaal van de schepping des Menschen worden twee hoofdfeiten gekonstateerd, die door het boek der Natuur bevestigd kunnen worden: 1o. dat de Mensch de laatstgeschapene is aller wezens, en 2o dat het geheele menschelijk geslacht van één Menschenpaar afstamt. Wat het eerste betreft, dat, naamlijk, de Mensch het laatstgeschapene aller wezens is.
Beschouw den Mensch in zijn redelijken en zedelijken aanleg, in zijn fyziesch samenstel en bouw. Volgends beide staat hij op de hoogste der opklimmende trappen van het geschapene Leven, 'twelk begint met het lage plantdier, en opklimt door de organizatiën heen van weekdier, schaaldier, reptiel en viervoetig zoogdier. Volgends Gods plan moet hij dáár staan, waar beide, Bijbel en Geologie, hem plaatsen. Beschouw de steengroepen der Aarde. In geene enkele der nederzetsels, waarin de organische overblijfselen van alle vroegere diersoorten bewaard zijn gebleven, ontmoet gij eenig spoor, hetzij van eene menschelijke gedaante, hetzij van eenig menschelijk kunstwerk. Alzoo: de verschillende familiën van aardsche schepselen moeten den Mensch vooraf zijn gegaan. Zijne geboorte was het laatste en grootste feit van, de kroon gezet op het scheppingswerk. Volgends de chronologie der Heilige Schrift zou dit ongeveer 6000 jaren geleden zijn; en noch in de Natuur in 't algemeen, noch in den Mensch in 't bijzonder, wordt iets gevonden dat dezen datum logenstraft. Vatbaarheid voor ontwikkeling en vooruitgang is een eigenaardige karaktertrek van den Mensch; en daarom, hadde zijn geslacht vroeger bestaan, elke hoek der waereld zou, talloze eeuwen vóór den Mozaïschen datum zijner geboorte, de sporen hebben vertoond van zijne lichamelijke en intellektuëele kracht. Beschaving tot weelde toe, kunst, wetenschap, al de gevolgen der aanraking van des menschen geest met de stoffelijke waereld, zouden dan duizende jaren geleden reeds hare volmaakt-heid bereikt en ons de oirkonden van zulk eene oudere Maatschappij hebben nagelaten. De denkbeelden over een ‘onmeetlijken ouderdom des Menschlijken geslachts’ worden door de wetenschap-zelve meer en meer onhoudbaar verklaard. Da Costa zegt daaromtrent (in zijne: Voorlezingen over het O.T.) ‘Men had zich o.a. beroepen op twee afbeeldingen van den Dierenriem in de tempels van Denderah en Esné (in Egypten). Uit den stand der hemelteekenen aldaar had men berekeningen afgeleid, die den datum hunner vervaardiging tot 4000, ja, tot 15000 jaar moeten doen opklimmen. Reeds Cuvier wees op 't ongerijmde dier berekening. Daar komt nu Champollion (de vermaarde ontcijferaar der Egyptische hiëroglyfen!) en wat las hij op die dierenriemen? Op dien van Denderah, in welverstaanbare taal als datum de regeering van Keizer Tiberius; op die van Esné, de regeering van Keizer Antoninus - een oudheid van nog geen 2000 jaren, in plaats van eene van 15000!’ De afwezigheid nu van de oirkonden van zulk eene oudere Maatschappij bevestigt het, dat het Menschelijk geslacht eerst sedert p.m. de laatste 6000 jaren bestaat. Wat het tweede betreft, naamlijk de afstamming van het geheele Menschelijk geslacht van één enkel menschenpaar. Geschiedenis en Traditie, oude monumenten en oirkonden, gewagen van een tijd, toen gantsche landen geheel of bijna onbewoond lagen, en van toeneming van bevolking, evenzeer als van beschaving, in de meeste waerelddeelen; 'twelk geheel in overeenstem-ming is met de aanneming van één menschenpaar als stamouders. Eerste tegenwerping. - ‘Maar er is zooveel verschil tusschen vele volken der aarde, in gedaante en kleur, in taal en zeden! Hebben niet sommige ethnologen vijf, ja, zeven rassen meenen te moeten onderscheiden? Wat zeg ik, stelde Bory de St. Vincent geen 15, Desmoulin geen 16 oorspronkelijke menschenrassen? En schieten er, ook dàn nog, geene leden van het Menschelijk geslacht over, die onder geene dezer klassen kunnen gerangschikt worden? Wijst dat niet op een soortelijk onderscheid?’ Weêrlegging. - Een Linnaeus, Haller, Buffon, Camper, Gall, Blumenbach, Cuvier, Lacépède, A. von Humboldt, Soemmering en vele anderen, erkennen onvoorwaardelijk de volstrekte eenheid van het oorspronkelijk menschenras. De beste fyziologen, met één woord, nemen aan, dat hier geen sprak kan zijn van verschillende soorten, maar slechts van verscheidenheden van ééne enkele soort, daar hier geen enkel spoor aanwezig is van een typiesch verschil, zoo als, bij het bestaan van meerdere stamouders, zich onder de afstammelingen zou hebben moeten vertoonen. Waarin bestaat hoofdzakelijk dat genoemde verschil tusschen de volken der aarde? In de kleur van den huid, in de vorm van schedel en bekken. Maar volgends Blumenbach, Prichard, von Humboldt, om geen meerdere namen nu te noemen, kan zulk verschil veroorzaakt zijn door invloeden van buiten, klimaat, bodem, voedsel, levenswijze, enz., gedurende een langdurig tijdsverloop. Het karakter en de samenstelling van talen en de identiteit van de innerlijke en geest-lijke natuur bij alle geslachten des Menschdoms, doen ons met PrichardJ.C. Prichard, Researches into physical history of mankind, London 1836, besproken door Prof. L.C. Schoeder van der Kolk, in Waarheid in Liefde, 1845, I. aannemen, dat alle menschen van ééne soort, van ééne familie zijn. Zoo dan stemmen Schrift en Wetenschap, op grond van historie, fyziologie en ervaring, daarin overéén. Tweede tegenwerping. - De droom van Lamarck en de Maillet, de bekende fransche Geologen! ‘Het organische leven,’ zoo meenen zij, ‘is begonnen met de geringste en eenvoudigste vormen, om die allen zonder verdere tusschenkomst van den Schepper te doorloopen. De organizatie is dus het gevolg van funktie, en niet de funktie het gevolg van organizatie. Zoo is dan de eersteling der schepping een plantdier geweest; maar dit ging, ten gevolge van een gelukkig pogen (een conatus), over in een schaaldier; het schaaldier werd visch; de visch, vogel; de vogel, zoogdier; het zoogdier, mensch. De ware Adam, aller menschen vader, is het Plantdier, de blinde zoöphyt. De kikvorsch en aap zijn van onze naaste familie.’ Weêrlegging. - De Geologie bevestigt dergelijke hypothesen nooit en nergends. Onder de fossile overblijfselen van elke dierklasse is geen zweem gevonden van iets, dat ook maar in de verste verte het geloof aan zulk een overgang van het eene geslacht in het andere zou wettigen. Het: ‘elk naar zijnen aart’, is een eeuwige Natuurwet. Zeker, vele veranderingen hebben er plaats gehad. De plant-, week-, schaaldieren en visschen van het Silurische en Divonische tijdperk zijn niet dezelfde van het Menschelijk tijdperk. De veranderingen, door aarde en water ondergaan, verscheidenheid van temperatuur en atmosfeer, bodem en klimaat en voedsel, hebben in den loop veler eeuwen hunne plooibare natuur aanmerkelijk gewijzigd. Zoo waren, b.v., de eerste weekdieren gekleed in hoornen schalen, omdat zij in de slib der lagere Silurische groep woonden, waar kalk ontbrak tot het afscheiden van kalken schalen. Toen er meer kalk onstond, vormden die zelfde dieren zich schalen van die zelfstandigheid, waardoor alzoo in hunne orde een wijziging geboren werd. Zoo, al verder, waren de eerste vischsoorten (de placoïden en ganoïden van het Permiesch en Kooltijdperk) in beenige maliekolders gedoscht, daar zij in de nog heete wateren leefden. Toen later de temperatuur was afgekoeld, verving hoorn het been, tot dat de maliekolder een schubbenjak werd. Zóó, eindelijk, zijn de reusachtige hagedissen van de Lias- en Oölieth-formatie allengskens ingekrompen en verdwenen, de gigantische zoogdieren van het tertiaire tijdvak verkleend tot de betrekkelijke dwerggestalten van onzen tijd. Maar - al deze wijzigingen hadden hare grenzen, in zóó verre dat geenerlei omstandigheden, van wat naam of aart ook, ooit in staat waren een dier van de ééne klasse in de andere te doen overgaan. Geen grasetend dier, b.v., werd immer vervormd tot een vleeschetend; geen weekdier in een visch; geen visch in een reptiel; geen reptiel in een vogel; geen vogel in een zoogdier. Gelijk geschreven staat, ‘de Heer God heeft alles naar zijnen aart geschapen’, en door Zijnen wil zijn en blijven zij zóó geschapen. De verschillende orden van het Dierenrijk, hun onderscheiden en afgescheiden oorsprong en geslacht, bleef tot hiertoe immer onveranderlijk bewaard. De reptielen, vogels en zoogdieren van het Menschelijk tijdvak mogen van die van het vorige (het Silurische) verschillen in gedaante en zeden, 't zijn hunne lijnrechte en herkenbare afstammelingen, even als de menschen het zijn van den eerst-geschapen mensch Adam. De Mensch, de eerste in aart en aanleg, is de laatste naar geboorte: een ‘parvenu’, een schepsel van gisteren, de jongste monarch; maar ook hier geldt het woord: ‘de laatste is de eerste geworden.’ Zoo dan bewaren ons de Bijbel en het steenen boek der Natuur voor de dwaze en ongegronde droomerijen van de verkeerdelijk zoogenaamde theorie van ontwikkeling, en bevestigt het laatste het eerste op de onwederlegbaarste wijze. - Zie von Humboldt, Miller, M'Causlaud, passim.
Cookies on Poetry Cove