Skip to content
1866

De schepping

J.J.L. Kate

Vierde tafereel.

Bladzijde 80, regel 17. ‘Daar rijst voor 't eerst, met statelijken luister, De vlammenschijf omhoog.’

Tegenwoordig is men het vrij algemeen daarover ééns, dat Mozes hier niet verkondigt dat zon, maan en starren eerst in deze scheppingsperiode in 't aanzijn zouden zijn getreden. Men meent, dat hij alleen bedoeld kan hebben, dat de hemelsche heirscharen, tot hiertoe voor de Aarde omsluierd door de wolken boven het uitspansel, alsnu, onder Gods bestuur, voor de Aarde werden tot zichtbare teekenen van de tijden en saizoenen. - De hemel, en daarmede ook de hemelsche heirscharen, zijn op den eersten dag geschapen als bronnen des lichts. Het licht van het tijdperk der tijdelijke verborgenheid van de zonneschijf voor onze Aarde, moet geweest zijn als de schemerschijn van een nevelachtigen dag. Dag en nacht wisselden, ja, elkander af, maar geen rijzende en dalende zon was aan den hemel zichtbaar. ‘En zoo moet dan’ - zegt Miller - ‘de Aarde zoolang het voorkomen hebben gehad van een uitgestrekte oranjerie van mat glas, onder wier beschutting zich een allerweligste maar tevens losgeweven en flaauw gekleurde vegetatie ontwikkelde,’ tot dat eindelijk de zon, de zoolang verborgen bron van licht en warmte, het ongeziene levenselement der Aarde, met vuurschijf en vlammenden straalbundel voor het allereerst aan haren hemel zichtbaar werd, straks gevolgd door de maan en het heirleger der starren.

Bladzijde 89, regel 5. ‘Van heimwee trillende onder Uw moederlijken blik.’

Volgends het jongste systeem der Kosmogonie zouden de pla-neeten uit de zon zijn voortgekomen. Men gelooft dan, dat uit haar, op een wenk van den grooten Werkmeester, de planeeten, en uit deze de wachters geboren zijn, en dat ook de komeeten en zoogenaamde lucht- of dondersteenen (aërolithen) uit de zon zijn ontstaan.

Aldaar, regel 17. ‘Nog ééns, o Zon! nog ééns, en - altijd weêr!’

‘Wanneer ik elken avond het ondergaan der zon schilderde en elken morgen het opgaan der zon zag, dan zou ik nog als de kinderen roepen: “toe, nog eens! nog eens!”’ - Jean Paul.

Bladzijde 90, regel 8. ‘Zóó hoog kunt gij niet staan, Of door de reeten uwer vlammentente Zult gij den gang der waereld gadeslaan.’

Zinspeling op de zoogenaamde zonnevlekken. Door vernuftige waarneming is men tot de overtuiging gekomen, dat die vlekken niets anders zijn dan gaten in het omkleedsel der zon, door welke men het zonnelichaam-zelf ziet schemeren. - Volgends Herschell is de zon een duistere bol, waarom zich in de eerste plaats een heldere, doorschijnende dampomhulling bevindt van ongeveer 80 geog. mijlen hoogte, in welker bovenste gedeelte zich, even als in den dampkring der Aarde, een menigte wolken bevindt, die dus het geheele lichaam der zon omgeeft. Die dampkring is, volgends hem, niet lichtgevend uit zich-zelven, maar kaatst alleen het licht terug van een hem omgevende tweede omhulling, dien hij als lichtgevend beschouwd en daarom fotosfeer genoemd heeft. De aart van deze, die volgends hem 800 mijlen hoog zoude zijn, is verschillend van den aart der dampomhulling; hoewel Herschell niet ongenegen schijnt, wat den vorm aangaat, in deze ook iets wolkachtigs aan te nemen. Door de opeenhooping nu dezer lichtwolken, ontstaan de zoogenaamde fakkels, of meer verlichte gedeelten der zonneschijf. Wanneer door de eene of andere oorzaak in de dampomhulling en de fotosfeer zich openingen of scheuren vormen, dan ontstaan er zonnevlekken. Ontstaat er een opening in beide omhullingen, dan ziet men de gewone zonnevlekken. De zwarte kern is het duistere lichaam der zon, dat door de beide openingen heen zichtbaar is, terwijl de graauwe rand wordt veroorzaakt door de bij terugkaatsing verlichte wolken der dampomhulling. Is dus de opening in de fotosfeer kleiner, wat echter zelden het geval is, dan ziet men zwarte vlekken zonder rand; is er daarentegen alleen een scheur in de fotosfeer, dan is de zonnevlek graauw zonder kern; de bodem is dan niet het zonnelichaam, maar de bij terugkaatsing verlichte dampomhulling.

Wat het ontstaan der vlekken aangaat, houdt Herschell het er voor, dat een veêrkrachtige gaz- of dampvormige vloeistof steeds op de oppervlakte van het duistere zonnelichaam ontwikkeld wordt, en van daar door de omhullingen tracht heen te dringen. Geschiedt dit langzaam en regelmatig, dan ontstaan er slechts kleine poriën of stipjens, zooals men er altijd op de oppervlakte der zon waarneemt; is die werking echter heviger, dan ontstaan er zonnevlekken. De omstandigheid, dat, bij het verdwijnen van een vlek, de donkere kern het eerste verdwijnt, komt zeer goed met deze onderstelling overeen, daar het natuurlijk is, dat eerst de laagste en daarna de bovenste omhulling zich weder sluit. De hevige opstijging der veêrkrachtige vloeistof moet noodzakelijk een opeenhooping en verplaatsing in beide omhullingen ten gevolge hebben; de wolken der dampomhulling worden op zijde gedreven, en ook in de fotosfeer moet een aanmerkelijke beweging ontstaan. Van daar de lichtfakkels, die ook steeds in de nabijheid der vlekken, dus d\'a\'ar waar de beweging de grootste is, worden waargenomen. De binnenste omhulling, de dampkring, moet een vrij groote dichtheid hebben, daar zij slechts een gedeelte van het licht, dat de fotosfeer van zich geeft, doorlaat of absorbeert. Uit waarnemingen aangaande de lichtsterkte van den graauwen rand der zonnevlekken, blijkt het, dat nagenoeg de helft der lichtstralen door haar worden teruggekaatst. Wat de lichtomhulling-zelve aangaat, het is zeker moeielijk omtrent haren aart iets stelligs te zeggen. Was zij een drupvormig of veêrkrachtig vloeibare massa, dan zouden de ontstane scheuren zich nog wel schielijker sluiten of weder aangevuld worden. Men moet dus wel aannemen, dat de fotosfeer als een menigte gloeiende of lichtgevende wolken boven de hoogste streken der zonne-atmosfeer zweeft. Een bevestiging van deze meening heeft Arago gevonden door proeven, aangaande den aart van het licht der zon genomen. De vorderingen in de laatste jaren in de leer van het licht gemaakt, stelden hem in staat aan de eigenschappen der lichtstralen te erkennen, of het licht komt van een gloeiende of gesmoltene massa, dan wel van een vlammende, gazvormige zelfstandigheid, zoodat men b.v. daardoor kan onderscheiden of het licht komt van een gloeiend metaal, of van een gazvlam. Het bleek hem, dat de bron van het zonnelicht niet anders dan een in gloeienden of brandenden toestand verkeerende gazvormige zelfstandigheid kan zijn, en dat er bij de zon zelfs geen spoor van een gesmoltene of vloeibaar gloeiende stof te vinden is. ‘Volgends de theorie van Herschell, welke, zoo als uit het voorgaande blijkt, van alle tot dus verre op de zonneschijf waargenomen verschijnselen een zeer aannemelijke verklaring geeft, zouden er dus rondom het duistere zonnelichaam twee omhullingen zijn, de binnenste een dampomhulling of atmosfeer, de buitenste eene lichtomhulling of fotosfeer. De onderzoekingen der laatste jaren, en wel bepaaldelijk de waarnemingen van totale zonsverduisteringen, hebben echter het bestaan eener derde omhulling waarschijnlijk gemaakt. Ongelukkiglijk zijn de totale zon-eklipsen (waarbij de zonneschijf geheel door de maan bedekt wordt) zeldzaam, en bovendien zijn zij slechts totaal voor een zeer smalle streek van de oppervlakte der Aarde. Van daar, dat die waarnemingen nog niet zoo menigvuldig zijn geweest, dat de verschijnselen met een even groote naauwkeurigheid als de zonnevlekken bekend kunnen zijn. De laatste totale zonsverduistering evenwel van Juli 1851 heeft veel bijgedragen tot vermeerdering van onze kennis aangaande de zon.’ - Dr. D.J. Steyn Parvé.

Bladzijde 95, regel 15. ‘Eenvoudiger van blaâren En needriger van stam dan de oude woudpilaren, Maar vaster, uit hard hout geweven.’

In de volgende, de Permische, steengroep, bestaat de welige flora der koolformatie niet meer, die alleen in schaduw, hette en vochtigheid kon tieren, in een tijdperk waarin geen zonnestraal nog de aarde bereikte. Na dat tijdperk getuigen de fossile overblijfselen der planten van een groote toeneming van een houten weefsel, als alleen door de onbewolkte zonnestralen is kunnen worden voortgebracht. Deze verwekten een betrekkelijk kleiner en schraler maar steviger plantenrijk. Het algemeene klimaat - gevolg van de vroegere centraalhette - die een gelijke broeikastemperatuur door heel de Aarde verspreidde, hield op sedert het Permische tijdvak, dat op de steenkoolperiode volgde; en die verscheidenheid van klimaat, waarvan de zon de voornaamste oorzaak is, begon, om immer voort te duren tot heden toe. Wat nu kan meer het feit konstateeren, dat, op dit punt des tijds, in de chronologie der schepping, de zon, tot hiertoe voor de Aarde in wolken gesluierd, doorstraalde, en met maan en sterren aan het firmament des hemels verscheen, om ‘van nu voortaan tot teekenen te zijn en tot jaargetijden en tot dagen en jaren?’ - M'Causland.

Bladzijde 101, regel 7. ‘Proef of gij de starren Kunt tellen.’

Meer dan 20,000 sterren zijn reeds in onze sterrenlijsten opgeteekend. William Herschell zag, bij het onderzoeken van zekere gedeelten van den Melkweg, meer dan 50,000 sterren voorbij het veld van zijn mikroskoop trekken in een enkelen nacht, op een strook des hemels ter breedte van slechts twee graden. Laplace gelooft, dat er wel 10,000 millioen sterren kunnen zijn: hij had wel een millioen maal 1000 millioen kunnen gissen en nog beneden de waarheid gebleven zijn.

Bladzijde 102, regel 11. ‘Beschaamt uw Moederaard In grootte minder niet dan Horebs berggevaart' De laagste steenklip aan zijn voeten.’

Klein is onze Aarde vergelijkenderwijze zeker, hoewel zij bogen mag op een doorsnede van 8000 mijlen of daaromtrent, òf van pool tot pool, òf van een punt van de evennachtslijn naar het tegenoverliggend punt. Jupiter-alleen reeds staat gelijk met 1300 Aarden; de Zon, met 1,400,000 Aarden; Sirius met 11,200,000 Aarden.

Aldaar, regel 19. ‘Toch wandelt zevenmaal de Aarde om heur zonne rond, Eer de allernaaste star heur licht op aarde zond.’

Door vernuftige berekeningen, wier juistheid niet te betwijfelen valt, is 't den sterrekundigen gelukt, den afstand van de naaste vaste starren te bepalen. De eenige weg, langs welken wij tot het begrip van dien ontzettenden afstand kunnen komen, is daarin gelegen dat wij tot maatstaf van dien afstand de snelheid nemen, waarmede het licht tot ons komt. Het licht nu legt 192,000 mijlen in ééne sekonde af, en desniettemin heeft de naaste vaste star meer dan 61/2 jaar noodig om ons haar licht toe te zenden. Met andere woorden: wanneer wij onderstellen, dat die star geheel en al vernietigd is, dan zullen wij haar nog 61/2 jaar, nadat zij van het firmament verdwenen is, blijven zien. De rij van cijfers, waarmeê die afstand uitgedrukt zou moeten worden, is te groot om eenigen duidelijker indruk op onzen geest te maken, want zij overschrijden al te verre de mate van onze gewone berekeningen.

Bladzijde 104, regel 8. ‘Op de maat Van eigen lofmuziek hun heilge dansen menglend.’

Van dezen dans en het gezang der hemelbollen, spreekt o.a. Edw. Young, in zijne Nightthoughts, III en IX Nacht. Zoo ook Milton, Parad lost, B. V, vs. 177, en B. V, vs. 618-624. Evenzoo Shakspere, The merchant of Venice, Act. V. Sc. 1. Vergelijk Cicero, De Nat. deorum III : 2, Somn. Scip. 5. Zie voorts de Aanteekening van Joan. Lublink, in zijne vertaling van Young, II Deel, bladz. 341. Ook da Costa, in zijne Hymne: Gods voorzienigheid.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De schepping · J.J.L. Kate · Poetry Cove